Nooitgedacht

Jordy Soldaat 25 feb 2016

Met wat guldens in de zak van mijn verwassen Masita broek, werd ik vroeger door mijn moeder naar de voetbalclub gebracht. En wanneer de lantaarnpalen aan zouden gaan, zou ze mij weer ophalen. Waar ik mijn tijd en mijn moeders geld in de tussentijd aan besteedde, was aan mij. Tussen de hekken van de plaatselijke FC voelde ik mij als een van de Verloren Jongens in Nooitgedachtland, en wie de bal het langst kon hooghouden, was mijn Peter Pan. De regels waren ongeschreven, maar voor iedereen net zo helder. De bal was bij voorkeur rond, maar zo niet, dan niet. De jas was de paal en de keeper was vliegend.

Inmiddels moet ik mijn eigen weg naar de vereniging zien te vinden en na acht biertjes ook helaas weer terug naar huis. De eeuwige jeugd blijkt inmiddels eindig te zijn. Behalve op zaterdag, als ik onderdeel ben van ‘het sterrenteam’, zoals wij onszelf graag noemen. Aan zelfspot dus geen gebrek, aan talent des te meer.

Vandaag spelen we tegen de hekkensluiter. Het is moeilijk voor te stellen dat er elf jongens te vinden zijn met minder balgevoel dan wij, maar het is ze gelukt. Ik zit naast mijn vriend in de dug-out. Een klein jaar geleden stonden we nog samen op het veld, maar vandaag was het anders. Vandaag zijn we samen geblesseerd. Ik heb een gescheurde meniscus en hij heeft kanker. Maar op zaterdag maken we even geen onderscheid.

Ik wil hem vragen hoe het gaat, maar liever nog doe ik alsof er niets aan de hand is. Dat wilt hij ook, denk ik. Terwijl ik mijn mening geef over de natte tosti uit de kantine, schiet onze spits de 0-1 binnen. Het is geen schoonheid, maar hij telt. Op de bank geven we elkaar een high-five. We zijn allang blij dat er iets te vieren valt. Ik zie mijn vriend lachen.

Op dat moment voelt het voor mij alsof de lantaarnpalen nooit meer aan gaan. Alsof het nog eeuwig duurt voordat mijn moeder bij de poort staat en alsof mijn vriend niet ziek is. Ik voel in de zakken van mijn spijkerbroek. Er zitten nog wat losse munten in. ’Kom we halen een AA’tje en wat chips’, hoor ik mezelf zeggen. Terwijl we naar de kantine lopen, hoop ik dat hij zich net zo voelt als ik bij het kijken naar mijn vrienden op het veld. Gewoon zoals vroeger. Als een van de Verloren Jongens.