Lintjesregen 2026
„Majesteit klinkt als iets goddelijks. Maar ik zie alleen een mens.”
Mijn eerste confrontatie met het koningshuis was in september 1948. Ik zat op de arm van mijn vader toen de rijtoer door Amsterdam-Zuid trok – de oude en de nieuwe koningin in een koets. Overal werd gejuicht. Mensen keken alsof ze iets bovenaards zagen. Maar hoe goed ik ook keek, ik zag geen majesteit. Geen stralende verschijning. Niet de mooiste van het hele land. Gewoon twee mevrouwen in een open koets. Misschien begon daar al iets te schuiven.
In die jaren leerde ik ook bidden. Tot Onze Lieve Heer, tot de koningin en in december zelfs tot Sinterklaas. Tot mijn oudere broer ingreep. Hij was theologisch al op dreef en had de Heilige Communie ontvangen. Bidden tot de koningin was een doodzonde, zei hij. Dan kom je in de hel. Dat was schrikken. Maar ook verhelderend. Je mocht haar eren, maar niet aanbidden.
Uren in de rij
In 1953 verhuisden we naar Baarn. We stonden bij Paleis Soestdijk uren in de rij voor het defilé, met een bosje bloemen. De koningin keek onze kant op. Als jongen wist ik het zeker: ze zag mij.
Een paar jaar later, rond 1957, kwam het koningshuis nog dichterbij. Ik zat op dezelfde scholen als Marijke en Margriet. Marijke zat een klas onder me, bij juffrouw Snuf. Margriet zat op het Baarnsch Lyceum, op een aparte afdeling – het Incrementum. Jammer, want zo bleef ze uit zicht. En ik vond haar bijzonder. Ik had best zo’n vriendin willen hebben.
Bij schoolfeestjes kwam de koningin ook even langs. Ik sprak haar aan met ‘mevrouw’. Helemaal fout natuurlijk – de eerste keer moet je altijd ‘Majesteit’ zeggen.
Achteraf denk ik: wat een onzin. Dat woord komt uit het oude Rome en suggereert iets goddelijks.
In 1963/64 werkte ik als leerling-kelner in het Amstel Hotel. Ik zag vorstelijke gasten van een afstand. Mijn taak was tafels dekken, glazen poleren en na afloop opruimen. Ik mocht onder geen beding mijn gezicht laten zien als er hoge gasten waren. De kans dat ik een bord soep bij een prinses op schoot zou laten vallen, was veel te groot.
Dat zegt misschien alles.
Hossend
En nu, zoveel jaren later? De koning inspireert me niet. Op tv zag ik in 1995 hoe in Srebrenica mannen met bussen werden afgevoerd en ik zei het hardop: „Die worden straks allemaal vermoord.” Een dag later zag ik Willem-Alexander hossend met Nederlandse militairen. Toen later bleek dat mijn voorgevoel klopte, was ik klaar met Willem-Alexander.
Máxima lijkt me warm en levendig. Op 2 februari 2002 was ik in India en zag in een Tamil-talige krant foto’s van het bruiloftsfeest. Opeens voelde ik tranen opkomen. Je blijft Nederlander, toch?
En de koninklijke onderscheidingen? Mijn neefje Gerry heeft er een kast vol van. Hij was gouverneur van de KMA en kwam geregeld bij Juliana, Willem-Alexander en Máxima over de vloer. Ik word bij elke lintjesregen overgeslagen. Iemand die vanaf zijn 65ste zelf onder de armoedegrens leeft en zoveel heeft weggegeven aan sociale projecten dat hij er nu contant een mooi huis van had kunnen kopen, slaan we liever over. Maar goed, het hoeft voor mij niet meer.
Maar dat is misschien precies het punt. Erkenning komt niet vanzelf. Je moet in beeld zijn. In het juiste verhaal passen.
En de mensen die ik het meest bewonder, worden ook dit jaar weer overgeslagen.