Herkenning

Bregje van der Steeg 30 jun 2018

Ik fiets door het dorp naar het kinderdagverblijf. Het zonnetje schijnt, het is rustig in de straat. Ter hoogte van een zijstraat haalt een auto me in. Precies op dat moment komt uit die zijstraat een auto. Hij moet even inhouden voor hij rechtsaf kan. Dat schiet hem in het verkeerde keelgat. Als de auto’s elkaar bijna raken draait de bestuurder zijn raampje open en roept. ‘Kut!’ Dit voorval speelt al een paar dagen door mijn hoofd. Is het nog toegestaan een foutje te maken? Moeten we altijd scherp zijn, wordt perfectie van ons verlangd? Ik beken: Als iemand me afsnijdt met de auto ben ik niet zo bezig met het motief van de ander. Ik ben vooral boos. Dit is mijn stukje weg! Ik heb het recht hier te rijden. Toeteren is een eerste levensbehoefte dan, liefst vergezeld door een handgebaar. Maar degene die afsnijdt, dat ben ik misschien wel net zo vaak. Op onbekend terrein. Moet ik hier al rechts!? Snel prak ik mijn auto ertussen. Sorry! De bestuurder achter me toetert en maakt een handgebaar. Hé, wie toetert er nou naar wie? Zo bekeken zijn we eigenlijk vooral onszelf aan het uitschelden. Zijn we als samenleving zo in de war? Herkennen we onszelf niet meer? De volgende keer dat ik afgesneden word zwaai ik voor de zekerheid maar vriendelijk. Je weet maar nooit.