De woede heerst nog altijd bij Amerikaanse sporters

18 juni 2017 om 13:34 door Jeroen Haverkort
De woede heerst nog altijd bij Amerikaanse sporters
De basketballers van de Golden State Warriors gaan niet naar het Witte Huis.

De basketballers van de Golden State Warriors hebben unaniem besloten om na hun tweede NBA-winst in drie seizoenen niet naar het Witte Huis te gaan. Ze zijn niet de eerste sporters die een bezoek aan de president weigeren.

In Amerika is het traditie dat het Witte Huis sportkampioenen uitnodigt voor een bezoek aan de president. Maar sinds Donald Trump aan de macht is in de VS is het animo om Washington te bezoeken klein onder sporters. De basketballers van de Golden State Warriors laten, in navolging van de footballers van de New England Patriots, 1600 Pennsylvania Ave links liggen. „Ik ga niet naar Washington”, zei Devin McCourty nadat hij met de Patriots de Superbowl won. „Ik voel me niet geaccepteerd door het Witte Huis met een bevooroordeelde president.” Zijn teamgenoot Martellus Bennett voelde er ook weinig voor om de hand van president Donald Trump te schudden. „Amerika is gebouwd op samenwerking en integratie, niet op het uitsluiten van mensen.”

Lange rij

De weigering om het Witte Huis te bezoeken is het zoveelste politieke statement in een lange rij van vooral Afro-Amerikaanse sporters. Eerder dit seizoen, vlak voor de wedstrijd tegen de Cardinals, steunden McCourty en Bennett openlijk het protest van Colin Kaepernick. De quarterback van de San Fransisco 49’ers weigerde voorafgaand aan de wedstrijd tegen Green Bay te gaan staan voor het Amerikaanse volkslied.

„Ik ben niet van plan eer te bewijzen aan een vlag van een land dat zwarten en andere gekleurde mensen onderdrukt”, aldus Kaepernick. „Dit is voor mij groter dan Football en het zou egoïstisch van mij zijn om de andere kant op te kijken. Er liggen lichamen in de straten. De verantwoordelijken worden hiervoor betaald en kijken de andere kant op.”

Ook NBA-sterren als Dwayne Wade, Chris Paul en LeBron James gebruikten hun status en platform om aandacht te vragen voor de minderheden in hun land. En NBA-speler Mahmoud Abdul-Rauf van de Denver Nuggets, voorheen Chris Jackson totdat hij zich bekeerde tot de Islam, weigerde ook de Amerikaanse vlag te erkennen. Hij voerde dezelfde redenen aan als Kaepernick en zei dat eer bewijzen aan de vlag in strijd was met zijn islamitische geloof.

Tegenstellingen

Amerika kampt al decennialang met tegenstellingen tussen blank en zwart. Tegenstellingen die onder Trumps voorganger Barack Obama misschien iets naar de achtergrond verdwenen, maar die nog steeds leven en onder het presidentschap van Trump heftiger dan ooit naar boven lijken te komen. De eerste gekleurde sporter die niet langer wenste te dansen naar de pijpen van de ‘white establishment’ was Muhammad Ali. De boksicoon, dat vorig jaar juni overleed, kwam in 1942 ter wereld als Cassius Clay. In 1964 veranderde hij zijn naam en bekeerde hij zich tot de islam.

Begin 1966, toen de Amerikaanse strijdkrachten om nieuwe rekruten verlegen zaten en de keuringsvoorwaarden werden versoepeld, werd de eerder afgekeurde Ali nu wel goedgekeurd. Hij weigerde echter naar Vietnam te gaan. „Oorlog is tegen de Heilige leerstellingen van de Koran”, aldus Ali toen. „Ik probeer mijn dienstplicht niet te ontduiken. We worden geacht niet aan een oorlog deel te nemen, behalve wanneer hiertoe opgeroepen door Allah of de Heilige Profeet. We nemen geen deel aan een christelijke oorlog of welke oorlog van ongelovigen dan ook.” Later voegde hij er nog aan toe: „I ain’t got nothing against them Viet Cong, they never called me nigger.”

Zelfvertrouwen

Op 20 juni 1967 werd Ali na een beraadslaging van slechts 21 minuten door de uitsluitend blanke jury van de federale rechtbank van Houston schuldig bevonden aan het weigeren van de dienstplicht. Hij werd door rechter Joe Ingraham veroordeeld tot de maximale gevangenisstraf van vijf jaar en een geldboete van tienduizend dollar. Eerder, op 28 april 1967, had de Atletiek Commissie van de staat New York hem ook al zijn bokslicentie voor drie jaar en zijn kampioenstitel ontnomen. Pas op 28 juni 1971 besliste het Amerikaanse Hooggerechtshof dat Ali weer in alle staten van de VS mocht boksen.

Ali gaf de Afro-Amerikanen zelfvertrouwen, maakte hen duidelijk wat hun burgerrechten waren en kwam daarvoor op. Niet voor niets zei basketballegende Kareem Abdul-Jabbar dat Ali ‘vooral een kampioen van gerechtigheid was’. Sinds de jaren zestig zwijgen de Afro-Amerikaanse sporters dan ook niet meer. Waar ze voorheen terughoudend waren en hun mond dichthielden om maar niet in de problemen te komen, zeggen ze in navolging van Ali waar het op staat: ‘loud and proud’ is sindsdien het devies.

Gebalde vuist

Drie jaar voordat Ali zijn bokslicentie terugkreeg, maakten Tommie Smith en John Carlos misschien wel het bekendste politieke statement ooit. Tijdens de prijsuitreiking bij de Olympische Spelen van 1968 in Mexico protesteerden de twee Afro-Amerikaanse atleten tegen het aanhoudende racisme in hun geboorteland. Zonder schoenen en op zwarte sokken betraden de Olympisch kampioen op de 200 meter en Carlos, die de bronzen plak pakte, het podium. Zij droegen bovendien één zwarte handschoen en Smith droeg ook een zwarte sjaal. De zwarte sokken stonden voor de armoede onder de zwarte bevolking in Amerika en de handschoen voor de burgerrechtenbeweging Black Power. De sjaal stond voor hun trots op het zwarte ras. Terwijl het Amerikaanse volkslied werd gespeeld en de Amerikaanse vlag werd gehesen, hielden Smith en Carlos uit protest hun arm omhoog met een gebalde vuist. Black Power.

McCourty en Bennett zetten dit seizoen hun steunbetuiging jegens Kaepernick kracht bij door ook hun rechtervuist te ballen. Sporters weigeren massaal het Witte Huis te bezoeken. Het is bijna een halve eeuw later, maar er is nog steeds racisme. De woede van vijftig jaar geleden heerst anno 2017 nog steeds.

 

Wil je op de hoogte blijven van de belangrijkste en leukste nieuwtjes?
Like ons dan even op Facebook. Dat is zo gepiept!