Afrika

“I know that I must do what’s right, as sure as Kilimanjaro rises like Olympus above the Serengeti”

Mijn gedachten dwalen af. Ze nemen me mee, naar die avond in een tentje in de Serengeti.

Tranen over mijn wangen. Pijn in mijn buik. Van het lachen. – Tien minuten hiervoor, had hij in blinde paniek zijn weg teruggevochten de tent in. Compleet naakt. Hij vond het een goed idee om in Adams kostuum buiten te plassen, en sloeg hierbij al mijn adviezen in de wind. Want olifanten en leeuwen zijn banger voor ons dan wij voor hen. Hij had alleen niet gerekend op mensen met zaklampen. Altijd wanneer ik zo moest lachen, danste er een bepaalde blik over zijn gelaatstrekken. Alsof ik het enige was dat hij ooit had gezien. –

Met zijn lippen ving hij de laatste traan op. Ik kroop tegen hem aan, mijn hoofd op zijn hart. Het fijnste plekje op aarde. Door de opening van de tent, keken we samen omhoog. Een sterrenhemel zo intens helder, dat de lucht wit leek. In de verte klonken geluiden uit het dierenrijk, maar verder was het oorverdovend stil. Ik voelde me ontzettend klein en immens groot tegelijk. Want daar, op dat moment. Dat kostbare moment, tussen alles dat was geweest, en alles wat ooit nog zou komen, ergens in een oneindig universum gemaakt van ontelbare deeltjes en onzichtbare lijnen die ons tegelijkertijd samen brengen en uit elkaar houden, waren hij en ik. In een tentje, in de Serengeti. En alles was logisch. Alles viel op zijn plek.

– ‘Rang, ik weet niet wat je met mij doet. Je bent ontwapenend.’

Ik schrik op gedachten. Het is vrijdagavond. De zon staat laag aan de hemel en werpt een oranje gloed over de stad. Ik zit op een balkon in Amsterdam, met Emiel. We kijken naar een live optreden van Toto ergens in de jaren ’80. Elke vezel in mijn lichaam schreeuwt opeens dat ik hier niet meer wil zijn. Zonder mijn blik van de televisie af te wenden vraag ik, meer uit fatsoen dan uit interesse, wat hij bedoeld.

– ‘Nou, gewoon. Ik heb het gevoel dat ik geen schijn van kans maak tegenover jou. Alsof je recht door me heen kijkt. Je raakt me.’ – ‘Dat is een lief compliment.’ – ‘Het voelt niet eerlijk. Het is niet eerlijk. Ik kan jou niet raken. Want je bent er nooit echt. Fysiek, ja. Maar in gedachten ben je altijd ergens anders.’

Tranen over mijn wangen. Pijn in mijn buik. Van verdriet. – Op televisie begint Bobby Kimball vol overgave aan het refrein:

“It’s gonna take a lot to drag me away, from you. There’s nothing that a hundred men or more could ever do…”