De papegaai heeft het altijd gehoord
Er zijn mensen die alles weten.
Niet omdat ze iets hebben onderzocht. Niet omdat ze erbij waren. En al helemaal niet omdat ze de moeite hebben genomen om te controleren of het verhaal klopt.
Ze hebben het gewoon gehoord.
En dus vertellen ze het verder.
Dat is het moment waarop de papegaai zijn intrede doet.
Een papegaai is in dit geval geen kleurrijke vogel met een kromme snavel, maar iemand die andermans woorden herhaalt alsof het zijn eigen kennis is. Hoe vaker het verhaal wordt verteld, hoe groter de schijn van waarheid. En voor je het weet is een gerucht veranderd in een feit.
Dat mechanisme is ouder dan sociale media. Alleen is de papegaai tegenwoordig voorzien van een smartphone, een internetverbinding en een knop met ‘delen’.
Het interessante is dat een papegaai niet altijd liegt. Hij kan zelfs oprecht geloven wat hij zegt. Iemand heeft hem immers verteld dat het zo is. Een bekende. Een collega. Een vriend.
Zo ontstaat een keten waarin niemand meer weet waar het verhaal begonnen is.
Maar vaak ligt het anders.
Vaak weet iemand dat het verhaal niet klopt. Toch wordt het opnieuw verteld. Omdat het goed uitkomt. Omdat het de ander beschadigt. Omdat het past bij het eigen beeld van de werkelijkheid. Of simpelweg omdat een sappig verhaal nu eenmaal aantrekkelijker is dan een saaie waarheid.
Dan is er geen sprake meer van onschuldige onwetendheid.
Dan wordt de papegaai een doorgeefluik.
En daar zit voor mij het echte probleem.
We leven in een tijd waarin we beschikken over meer informatie dan ooit tevoren, maar waarin informatie niet automatisch kennis wordt. Integendeel. Een onwaarheid kan zich sneller verspreiden dan iemand haar kan controleren. En misschien nog gevaarlijker: door het voortdurend napraten van informatie die niet klopt, kan zelfs bestaande kennis worden verdrongen – of verdwijnt het besef dat we iets eenvoudigweg niet weten.
Een leugen hoeft tegenwoordig maar één keer bedacht te worden.
Daarna zijn er genoeg papegaaien.
Het gevaar zit niet alleen in grote politieke verhalen of spectaculaire complotten. Het gebeurt ook gewoon op het werk, in organisaties, verenigingen en vriendengroepen. Een collega zou iets hebben gezegd. Een bestuurder zou iets hebben gedaan. Iemand zou een bepaalde reden hebben gehad.
‘Dat weet iedereen.’
Dat is misschien wel een van de gevaarlijkste zinnen die er bestaan.
Want wie is iedereen?
En hoe weten die mensen het?
Wie was erbij?
Waar staat het?
Wat is feit en wat is interpretatie?
Die vragen zijn niet lastig. Ze zijn alleen ongemakkelijk.
Want zodra je ze stelt, kan het verhaal uit elkaar vallen.
Daarom zouden we wat vaker de moed moeten hebben om geen papegaai te zijn. Niet alles wat vaak wordt gezegd, is waar. Niet alles wat overtuigend klinkt, is waar. En niet alles wat door tien mensen wordt herhaald, wordt daardoor de elfde keer ineens een feit.
Misschien is kritisch denken uiteindelijk niet veel meer dan op tijd je snavel dichtdoen.
Even niets herhalen.
Even nadenken.
Even controleren.
En dan pas spreken.
Want een papegaai kan alleen woorden onthouden, maar een mens kan vragen stellen.
Dat laatste lijkt mij nog altijd de betere eigenschap.