Taal groeit

Annemiek Wassenburg 29 sep 2026, 

Dat klopt. Taal is niet iets statisch. Als wij iets nieuws gaan denken of ervaren, gaat de taal anders verwoorden.

Uit deze taaleigenschap kun je heel wat leren. Niet alleen over semantiek maar vooral over mensen. Laten we eens kijken.

Wat talen ons vertellen

Sommige talen veranderen niet. Je vindt ze in gemeenschappen, die zijn afgesloten van de rest van de wereld; soms door fysieke oorzaken zoals hoge bergen en diepe zeeën. En soms door menselijke oorzaken: starheid en superioriteitsgevoel. Zuid Afrikaans is sinds de 17e eeuw amper veranderd. Wat zegt dat over degenen die deze taal spreken? Mag u over nadenken. Het IJslands, de taal van Ultima Thule oftewel de rand van de wereld,  is ook weinig veranderd. Nieuwe woorden voor nieuwe voorwerpen en technieken worden in het IJslands vertaald. Een ‘Utvarp’ is een radio. Klopt, Die werpt geluid uit. IJslands is een taal van mensen, die hechten aan tradities en die de moderne ontwikkelingen gewoon in hun taal en denkraam incorporeren. Ze doen niks na, ze passen aan.

Luie talen

Nederlanders nemen niet echt de moeite om nieuwe woorden bij te schaven zodat ze in het Nederlands passen. Er is nauwelijks een taal te bedenken die zoveel leenwoorden heeft als de Nederlandse. Hamburger, spindoctor, fan, legioen, kastanje, loempia, auto, dissen, palaveren, CEO, social media. Zo te zien zijn ze al heel lang lui. Palaveren – overleggen – komt nog uit de koloniale tijd. En kastanje heet kastana in het Arabisch. Meegekomen met de Kruistochten, dat.

Cow en beef

Uit het Engels kun je de hele verovering door de Normandiërs aflezen. In 1066 kwam Willem de Veroveraar bij Hastings aan land en doodde de Angelsaksische koning Harold. Toen begon de ombouw van het Angelsaksisch naar het moderne Engels. De veroveraar bracht natuurlijk zijn eigen taal mee, Frans. En zijn eigen administratie. Frans. En zijn eigen tafelmanieren en sociale gewoontes. Ook Frans. Het Engels is zowat de enige taal die twee heel verschillende woorden heeft voor het vlees en het dier. Een sheep is een schaap, mouton is schapenvlees. Mutton is verengelst schapenvlees. Dat gaat ook op voor cow en beef. Dat laatste komt van het Franse boeuf, rund. En hoe is dat gekomen? Nou; zo. Aan tafel zit heer Frans met zijn genodigden. De Angelsaksen zijn uiteraard de bedienden en hollen af en aan met schotels en brood. Frans wenst schaap- of rundvlees, mouton of boeuf dus. Omdat de bediende die woorden niet kent wijst de heer het aan. O, sheep, denkt de Saks. Hij denkt ook dat hij het snapt. Het schaap loopt in de wei en het schapenvlees heet mutton. Goed onthouden. Als u vandaag de dag bij een Engelse slager om sheep vraagt dan schiet de man in een lachstuip. Want er staat geen schaap in zijn winkel. Er ligt alleen mutton.

Taal lijkt onschuldig maar…

Sommige woorden hebben een lading van onbehagen. Van allochtoon maakten we medelander en dubbele paspoorten. Ook mensen van het zwarte ras kregen diverse nieuwe namen. Ouderen werden senioren, armen en zieken heten nu kwetsbaren. Gevoel werd onderbuikgevoel, en dat is wel heel erg laag. Was natuurlijk iets voor ongeletterden, die konden niet denken. Werksters werden interieurverzorgers, vreemdelingen gastarbeiders. Maar de negatieve associatie bleef. Dat ligt niet aan de taal maar aan ons. Wij verzinnen zelf de lading in de begrippen en verstoppen die onder steeds nieuwe woorden die anders lijken maar hetzelfde bedoelen. Dat heet huichelen.

Andere woorden kunnen alleen voortkomen uit anders denken. Of ze helpen niet.

Reacties