Uit bevrijdingsdrang een ijsje met slagroom én spikkels
Op het bankje in de dorpsstraat zit een man van een jaar of 50. Hij zit in het midden van het bankje en eet een ijsje. Mijn dochter zag hem als eerste.
Zij ziet ijseters altijd als eerste. Een ijseter biedt de kans op een ijsje, vandaar. Ik ben nu op mijn hoede. Voor je het weet sta ik namelijk volledig willoos een ijsje af te rekenen. Ter afleiding zeg ik daarom maar:
„Volgens mij heeft hij er spikkels op.”
Mijn dochter denkt van niet. Toch denk ik van wel. Deze man, daar midden op het bankje, heeft namelijk iets resoluuts, iets pontificaals. Iets van: nu ben ik ook een keertje aan de beurt. Ik moet denken aan mijn vader. Hij kwam altijd op dezelfde tijd thuis van zijn werk. Op een zekere dag was hij later. Het zal hooguit een half uurtje geweest zijn. Hij had naar eigen zeggen uit woede, voor zichzelf een drankje gekocht. Als ik het me goed herinner op een terras aan de Lange Voorhout.
Plaatje paste precies
Ik was daar natuurlijk niet bij maar dat plaatje van mijn vader met dat drankje is me toch altijd bijgebleven en dat plaatje paste dus precies op het plaatje van deze man met zijn ijsje.
Hij had, uit een soort bevrijdingsdrang, na de slagroom, er ook nog spikkels op laten doen.
Mijn dochter vraagt me iets. Op de een of andere manier ben ik toch in die ijszaak terecht gekomen.
„Ja, doe maar spikkels erop.”
Wat kan mij het schelen.