Handelsverbod op producten uit nederzettingen Israël: ‘Waarom nu?’
Op 22 september 2026 gaat in Nederland een handelsverbod in op producten uit Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden. Niet op alle Israëlische producten, maar wel op goederen uit nederzettingen die Nederland als onrechtmatig beschouwt.
Absurd!
Niet omdat er geen juridische discussie bestaat over die nederzettingen. Die bestaat al tientallen jaren. De VN-Veiligheidsraad sprak zich er al in 1979 over uit. Nederland voert sinds 2006 een officieel ontmoedigingsbeleid. Het Internationaal Gerechtshof kwam in 2024 met een verdergaand advies.
Maar precies daarom is de vraag zo simpel: waarom nu? Waarom was dit twintig jaar lang geen reden voor een handelsverbod en opeens wel? Waarom doet het kabinet alsof de maatregel bijna onvermijdelijk voortvloeit uit het internationaal recht, terwijl het uiteindelijk gewoon een politieke keuze is?
Er is iets anders veranderd. Sinds 7 oktober 2023 is Israël in een groot deel van het publieke debat veranderd van een land waarop kritiek wordt geleverd in een land dat steeds vaker als moreel verdacht wordt behandeld. Demonstraties worden groter, universiteiten staan onder druk, maatschappelijke organisaties spreken zich steeds harder uit en politieke partijen worden voortdurend aangespoord om verdergaande maatregelen te nemen. Iedere volgende sanctie lijkt daardoor gemakkelijker dan de vorige.
Antisemitisme toegenomen
Tegelijkertijd is het antisemitisme in Nederland sterk toegenomen. Dat constateert de overheid zelf. Joden verbergen hun davidsster, dragen soms geen keppel meer en vertellen liever niet dat ze Joods zijn. Joodse studenten voelen zich onveilig. De grens tussen kritiek op Israël, antizionisme en regelrecht antisemitisme wordt in delen van het publieke debat steeds vager.
En juist in dat klimaat besluit de Nederlandse regering tot een nieuwe economische sanctiemaatregel tegen Israëlische nederzettingenproducten.
Ik geloof niet dat dat los van elkaar kan worden gezien. Niet omdat iedere criticus van Israël antisemitisch zou zijn. En ook niet omdat iedere sanctie tegen Israël antisemitisch is. Wel omdat regeringen reageren op het maatschappelijke klimaat waarin zij opereren. Wanneer de druk om Israël harder aan te pakken groter wordt, wordt ook de politieke drempel voor zulke maatregelen lager.
Dat is precies wat hier volgens mij gebeurt. Terwijl het juridische probleem al tientallen jaren bekend is, buigt het kabinet nu voor een maatschappelijke en politieke druk die veel groter is geworden. In een periode waarin antisemitisme aantoonbaar toeneemt en Israël steeds verder wordt geïsoleerd, kiest de regering voor een maatregel die zij decennialang niet nodig vond.
Vraagtekens bij uitvoering
Dat is buitengewoon onverstandig, ook omdat zelfs de praktische uitvoerbaarheid totaal onzeker is. Douane, FIOD, OM en Raad van State hebben vraagtekens gezet bij handhaving en uitvoering. De werkelijke herkomst van producten is niet altijd eenvoudig vast te stellen.
Daardoor krijgt de maatregel vooral een enorme symbolische betekenis. En dat is precies het probleem. En dat in een periode waarin antisemitisme sterk is opgelopen. Het zou voor een kabinet juist reden moeten zijn om buitengewoon voorzichtig te zijn met symbolische maatregelen die economische uitsluiting als politiek instrument gebruiken.
Maar in plaats daarvan kiest het kabinet ervoor die stap juist nu te zetten. Een overheid die zelf constateert dat Joden zich in Nederland steeds onveiliger voelen, zou moeten begrijpen in welk maatschappelijk klimaat zo’n maatregel terechtkomt.
De vraag is waarom Nederland dit juist nu wil.