Er is weer een probleem opgelost in Den Haag: ‘We pakken de kleine bierbrouwer’
Niet met een ingewikkelde miljardenoperatie. Geen hervorming van de zorg, geen oplossing voor de woningnood en ook geen antwoord op de vraag waarom steeds meer voorzieningen uit onze dorpen verdwijnen.
Nee.
We pakken de kleine bierbrouwer.
Vanaf 2028 wil het kabinet het verlaagde accijnstarief voor kleine, zelfstandige bierbrouwerijen afschaffen. De regeling bestaat al sinds 1992 en levert de schatkist volgens de officiële berekening ongeveer 2 miljoen euro per jaar op.
2 miljoen.
Dat is in Den Haag kennelijk tegenwoordig een bedrag waarvoor je bereid bent een complete kleine bedrijfstak nog wat verder onder druk te zetten.
Natuurlijk hoor ik de ambtenaar al zeggen: „Maar meneer Veenstra, het gaat om belastingneutraliteit. Waarom zou een kleine brouwer minder accijns betalen dan een grote brouwer?”
Een uitstekende vraag. Alleen wordt daarbij gemakshalve vergeten dat een kleine brouwer geen Heineken is.
Gelijk speelveld
Een kleine brouwer heeft geen enorme productiecapaciteit, geen gigantische inkoopmacht en geen marketingafdeling met een budget waar een Drents dorp alleen maar van kan dromen.
De overheid zegt: gelijk speelveld.
De ondernemer zegt: probeer eens met dezelfde schoenen aan een wedstrijd te lopen als je tegenstander tien keer zo groot is.
En daar wringt het. Want uiteindelijk gaat dit helemaal niet over bier. Het gaat over de vraag wat wij nog overhebben voor de kleine ondernemer. De bakker op de hoek. De slijter. De dorpswinkel. Het kleine café. De ambachtelijke producent. De brouwer die niet alleen een flesje bier verkoopt, maar onderdeel is geworden van het verhaal van zijn dorp en zijn streek.
We roepen voortdurend dat dorpen leefbaar moeten blijven. Dat jongeren er moeten kunnen wonen. Dat toerisme belangrijk is. Dat streekproducten onze identiteit versterken. Dat lokale economieën ondersteund moeten worden.
Nog een belasting
En ondertussen leggen we er steeds opnieuw een klein steentje bovenop. Nog een belasting. Nog een regel. Nog een vergunning. Nog een administratieve verplichting.
Het zijn nooit de grote klappen waardoor een dorp langzaam verdwijnt. Het zijn de duizenden kleine tikken. En uiteindelijk zegt iemand: „Het is niet meer rendabel.” Dan gaat de deur dicht. En een paar jaar later vraagt een beleidsmedewerker zich af waarom het centrum van dat dorp zo leeg is geworden.
De overheid heeft overigens een punt: uit de recente evaluatie blijkt dat het oorspronkelijke doel van de kleine-brouwersregeling niet meer duidelijk is en dat de regeling volgens de onderzoekers niet doelmatig is.
Maar beleid gaat niet alleen over spreadsheets.Het gaat ook over de vraag wat je kapotmaakt wanneer je een spreadsheet optimaliseert.
Want die 2 miljoen euro die de schatkist erbij krijgt, komt ergens vandaan.Bij de brouwer. Bij de horeca. Bij de slijter. En uiteindelijk bij de consument.
De overheid noemt het vereenvoudiging van het belastingstelsel. De ondernemer noemt het een volgende rekening. En de consument noemt het gewoon: duurder bier.
Stoppen met een vraag
Misschien moeten we daarom eens stoppen met alleen te vragen wat een maatregel de schatkist oplevert. We zouden ook moeten vragen: ‘Wat kost deze maatregel de samenleving?’
Want als een kleine brouwerij ermee stopt, is de schade niet beperkt tot de accijns op een paar honderdduizend liter bier. Dan verdwijnen misschien banen. Lokale afzet. Samenwerking met horeca. Toeristische aantrekkingskracht. Een stukje streekidentiteit.
En misschien wel het belangrijkste: een ondernemer die ooit dacht dat hij in zijn eigen dorp iets moois kon opbouwen. Voor 2 miljoen euro per jaar. Dat is ongeveer wat Den Haag ervoor over heeft.
Misschien moeten we daar niet alleen naar de prijs van het bier kijken. Misschien moeten we eens kijken naar de prijs van het beleid.