Ik wil naar Stavoren

Monique Louis 16 sep 2026, 

Ik kijk voorbij de klep van mijn pet, ruik de geur van het IJsselmeer. Dit is nog eens wat anders dan opgesloten zitten tussen vier muren, turend in het scherm van mijn laptop.

Man vindt dat het tijd is om de zeilen te hijsen. De motor kan uit. Onmiddellijk gaat de boot een stuk schuiner. Ik loop naar voren, me vastgrijpend aan elke lijn. Ik durf op de punt van de boot te gaan zitten, voel de cadans van de golven en geniet.

We varen richting Friesland.

De windkracht is inmiddels bijna zes, ik heb mijn regenpak aangetrokken. De golven klappen tegen de boot. Ik wil per se boven blijven, het zeewater in mijn gezicht voelen spatten. Voor geen goud ga ik het hutje meer in. Elke vezel in mijn lijf staat gespannen. Ik zoek houvast, maar val om. Drie paar handen hijsen me direct weer recht. Ik zie mijn broer denken: ze gaat toch geen gekke dingen doen.

Broer staat achter het roer, man kijkt berekenend naar boven. Ik kijk recht in de golven en vervloek het hoge zeil dat klappert en de boot akelig schuin doet varen.

Ik besta alleen nog uit angst. W naast me zegt: „Denk aan iets anders, denk aan je bevalling, dat was veel erger, toch?”

„Oh nee,” zeg ik onmiddellijk. „Dit is veel enger, absoluut.”
„Echt?!” roept W uit.

Wat is het fijn dat ze er zijn. Man geeft een knipoog, maar niets kan me meer rustig maken. Mijn gevoel voor humor is weg.

„Ik wil naar Stavoren,” piep ik. „Ik wil aan land.”

De Duitse zeilboot voor ons worstelt zichtbaar tegen de wind en de golven en probeert met een bocht de kant te bereiken.

„Als zij het redden, dan wij zeker,” lacht man. De onverschrokken W neemt het roer over. Met fiere blik bestuurt ze de hevig deinende boot. Ik vind haar geweldig, stuiter ongewild mee met het bonken van de golven.

„Ik ga dood,” denk ik dramatisch, gek van angst. Ik tuur naar het land dat maar niet dichterbij komt en ik verlang hevig naar Stavoren.

Dan…eindelijk. Ik spring als eerste op de steiger. Plompverloren laat ik mijn zeemaatjes zitten.

Even later sta ik in het toiletgebouw van de haven, was mijn handen. Ik kijk op in de spiegel. Mijn haren staan alle kanten op. De schrik staat nog in mijn ogen.

„Wat een vertoning,” denk ik.

Reacties