De vrijheid om weg te gaan: ‘Meer dan alleen de afschaffing van de slavernij’
In de jaren vijftig schrok ik van krantenberichten. De invoering van de AOW bracht een verborgen Nederland aan het licht.
Niet de Nederlander in een rijtjeswoning. Maar de oude knecht die als jongen bij een boer was komen wonen. De boerenzoon of -dochter die ongehuwd een leven lang op het ouderlijk bedrijf werkte, zonder loon en zonder iets op te bouwen. En de huishoudster in de stad: vaak al jong in dienst, inwonend bij een gegoede familie, zeven dagen in de week werkend voor kost, inwoning en wat zakgeld voor de kermis.
Oud worden zonder geld
Wie geluk had, kreeg bij het ouder worden een lichte baan en een plaats bij de kachel. Wie pech had, werd oud zonder geld, zonder tehuis en zonder rechten.
Kost en inwoning werd dit systeem genoemd. Een bed, een bord eten, werkkleren. Het klinkt bijna vriendelijk. Maar het betekende ook dat je bestaan in handen lag van degene voor wie je werkte.
Juridisch waren zij geen slaven. In theorie mochten ze vertrekken, maar waarheen?
Wie niet kon lezen of schrijven, geen geld had, geen eigen woning, geen beroep buiten het erf of het huishouden en geen familie die hem opving, was vrij zoals een vogel in een kooi. In werkelijkheid wist hij of zij dat vertrek honger, dakloosheid en vernedering kon betekenen.
Sommigen bleven graag. Zij hoorden bij het gezin, vierden er Kerstmis en rouwden mee als de boer of mevrouw stierf. Er zullen werkgevers zijn geweest die werkelijk zorgzaam waren. Dat is geen tegenspraak. Ook binnen de koloniale slavernij zijn mensen bekend die na hun vrijmaking bij hetzelfde huishouden wilden blijven. Zij voelden zich daar veilig en deel van een grote familie.
Juridische onvrijheid en ervaren onvrijheid zijn niet hetzelfde.
Innerlijke onderworpenheid
Onlangs sprak ik een Somalische vrouw, dierenarts van opleiding, werkzaam in de catering op Schiphol. Zij zei dat zij sommige collega’s als ‘slaven’ zag. Ik schrok van dat woord en vroeg wat zij ermee bedoelde.
Geen initiatief, zei zij. Wachten tot iemand opdracht geeft. De klok in de gaten houden. Een klant afwerken zonder aandacht en, zodra er geen toezicht is, ophouden met werken. Of even snel met een volle tas de koelcel verlaten. Niet iemands huidskleur was voor haar bepalend, maar wat zij zag als een houding van innerlijke onderworpenheid.
Misschien had zij het verkeerd gezien. Misschien was het eentonige, ongeschoolde werk dat mensen ongemotiveerd en onverschillig maakte. Eén mens kan een groep verkeerd inschatten.
Maar haar woorden bleven hangen. In Somalië bestaan oude hiërarchieën waarin sommige groepen als slaven werden weggezet. Ayaan Hirsi Ali vertelde dat zij in Saoedi-Arabië op school ‘de slavin’ werd genoemd. Zelf gebruiken Somaliërs zulke woorden weer voor andere Afrikaanse volkeren. Een sociale blik kan iemand een plaats toewijzen waaruit ontsnappen moeilijk is.
Daarom is vrijheid meer dan alleen de afschaffing van slavernij.
Vrijheid begint waar iemand een keuze kan maken. Waar hij weg kan als het niet bevalt. Waar hij een loonstrook heeft én weet: ik maak geen deel uit van de inboedel.