Nostalgische gevoelens voor het kamp van Aïn Kharzouza, dat ik nooit heb mogen zien

Abdelkhalek Laouane 18 aug 2026, 

Als 12-jarig jongetje was ik geslaagd voor de basisschool. Als cadeau kreeg ik de kans om met andere leerlingen op kamp te gaan. Het kamp van Aïn Kharzouza lag ver van mijn woonplaats. De bus zou vertrekken vanuit een stad waar mijn oudere broer woonde. Hij was getrouwd en had een zoon van ongeveer mijn leeftijd, die ook mee zou gaan.

Een week voor de reis ging ik naar mijn broer. Maar drie dagen voor vertrek raakte ik geblesseerd aan mijn voet. Op de ochtend van vertrek, toen het buiten nog donker was, bracht mijn broer ons met de auto naar de plaats waar de bus zou vertrekken. Daar werd gevraagd of ik met mijn blessure wel mee mocht. Dat mocht niet. Zijn zoon vertrok met de andere kinderen naar het kamp, terwijl ik met mijn broer terug naar huis ging.

Omdat het nog vroeg was, ging ik meteen naar bed, met tranen in mijn ogen. ’s Ochtends had ik geen trek in ontbijt. Toch moest ik tegen mijn zin een kopje koffie drinken. Ik was bang dat iemand zou vragen waarom ik mijn koffie niet wilde drinken en dat ik geen antwoord zou kunnen geven. Dat was altijd mijn strategie geweest: als ik pijn had, drukte ik die naar binnen.

Niets durven vragen

Mijn broer besloot dat ik met zijn gezin op vakantie zou gaan. Een paar dagen later vertrokken we met de auto. Ik had geen idee waar we naartoe gingen. Ik was verlegen en stil en durfde niets te vragen.

Toen het donker werd, kwamen we aan in Casablanca. Voor mij was het een gigantische stad vol licht, verkeer en mensen. We gingen naar een luxe restaurant. Alles voelde nieuw en modern. Daarna bezochten we familie en bleven daar slapen. De volgende dag reden we verder naar El Jadida.

Daar voelde ik mij, ondanks alle mensen om mij heen, vaak alleen. Tot ik Abdeljabbar ontmoette, een jongen van ongeveer mijn leeftijd. We klikten meteen en werden goede vrienden. Vanaf dat moment veranderde mijn vakantie. We gingen samen naar het strand, speelden urenlang en brachten bijna al onze tijd samen door. Hij kocht regelmatig iets en deelde het met mij. We hadden een prachtige tijd.

Als kind wist ik niet hoe lang de vakantie zou duren. Niemand vertelde mij wanneer we naar huis zouden gaan.

Afscheid nemen

Op een sombere ochtend zag ik de vrouw van mijn broer grote tassen in de auto zetten. Ik kreeg nieuwe kleding en begreep dat we zouden vertrekken. Maar Abdeljabbar was nergens te zien. Ik wilde hem nog één keer zien en afscheid nemen, maar durfde niet te vragen waar hij was.

De auto vertrok. Ik keek door het raam met tranen in mijn ogen, in de hoop hem nog te zien. Maar hij verscheen niet. Ik wilde huilen, maar ook dat drukte ik naar binnen.

Die vakantie is altijd een van de mooiste herinneringen uit mijn jeugd gebleven. Sindsdien heb ik het verlangen gehad om Abdeljabbar ooit terug te zien. En ergens wil ik ook het kamp van Aïn Kharzouza terugvinden: de plek waar ik als 12-jarig jongetje naartoe zou gaan, maar waar ik nooit ben aangekomen.

Reacties