De psy-hater gaat iets van z’n leven maken
Mensen die jeugdtrauma’s ondergingen zoals leven met een zuipschuit van een vader of hebben geleden onder de zelfdoding van familieleden, kunnen het al heel jong lastig hebben met wat er zich in hun hersenpan afspeelt.
Ik las ooit dat een mensenbrein meer neuronen heeft dan er sterren in onze Melkweg zijn. Gelet dus op de complexiteit van onze hersenen is het bijna logisch dat er veel fout kan lopen. Vooral bij hoogsensitieve tieners.
Na een succesvolle carrière van drank, drugs en criminaliteit moeten de bezorgde ouders wel iéts ondernemen. De huisarts verwijst de ‘geestelijk zieke’ naar de psychiater, in de volksmond ook wel eens psy genoemd. Vanuit zijn comfortabele stoel noteert deze jouw klachten, de symptomen en jawel: de zielenknijper heeft meteen een diagnose. Voila, de eerste stap naar de genezing is gezet.
Observatie-kooi
De mooie, ooit zo beloftevolle zoon of dochter zal spoedig herstellen. Maar eerst moet die een tijdje in een observatie-kooi zijn dagen doorbrengen in een oergezellige psychiatrie. Hup hup, de koffers klaarmaken met pyjama en tien kledingstukken, het wordt immers winter, en Kerst zal je inderdaad daar moeten doorbrengen. Oh ja, scheermesjes en zeep, geen baard laten groeien. Ja, je zal snel weer de oude zijn. Onzin natuurlijk. De psychiatrie is meestal de laatste strohalm van de wanhopige jongere die gewoon even in de knoop ligt met zichzelf. Een psychiater maakt van een licht onrustige cliënt een ongeneeslijke chronische patiënt. Als je in een ziekbed ligt, kamer op slot en staart naar de kale witte muren zonder tv, radio of pc, pas dan begin je gek te worden. Ja, zei ooit een vriend: „Men komt er slechter uit dan binnen.”
Je begint immers minder goed te zien, zelfs met een bril op, je komt kilo’s bij en bibbert met de benen. Is het dat allemaal waard?
Het is daar een psychisch gestoord concentratiekamp waarin men je financieel uitmelkt. De mentale Holocaust. De verpleegsters volgen de bevelen van hogerop nauwlettend op. Neen, psychiaters willen niet dat je geneest. Jouw psychoses, neuroses, paniekaanvallen zijn hun forse bron van inkomen waardoor ze een luxe leven kunnen leiden: ze geven vele feestjes in hun villa’s, springen naakt in hun zwembad en gaan vaak naar heerlijke restaurants.
Dwangbuis
De pillen en de kinderlijke therapieën tasten je hersens aan, maar ook je zelfbeeld. Je praat met lotgenoten die jou een uurtje later aan je lot overlaten en gniffelend van je droevig lot hebben genoten. Je wordt agressief, met twaalf verplegers vechten ze met jou, steken je in een dwangbuis, spuiten je vervolgens plat en zo val je in een diepe slaap, ben je even buiten strijd.
Plots ontwaak je. Versuft doe jij je ogen open, je bevindt je in een witgroene kamer. Ben je in de hemel? Je hoort engelen zingen en ziet overleden ooms en tantes dansen. Je wil meedoen maar het gaat niet, je wil opstaan maar valt met je over-gemediceerde warhoofd tegen de harde grond, een rauwe kreet doorklinkt het hele gebouw. Het is nog nacht, je voelt je hoofd bloeden en ook je ziel.
En dan besef je: ik vertoef nog steeds in het dolhuis, nog steeds opgesloten in een dwangbuis. Na enkele dagen mag je terug naar jouw kamertje. Terwijl jij je tanden poetst en in de spiegel kijkt, staren je ogen naar een jonge oude onherkenbare persoon zonder waardigheid, zonder zelfvertrouwen en erger: zonder dromen. En dan fluister je: „Jawel ik ben een psy-hater. Ik ga dus iets van mijn leven maken.”