Monique op bezoek bij haar moeder: ‘Jullie blijven toch wel?’, vraagt ze kleintjes
We kijken om de hoek van de gezamenlijke huiskamer. Daar staat mijn moeder met gebogen rug, leunend met beide handen op de tafel. De man tegenover haar glimlacht.
„Dat is die man die een paar jaar geleden bij haar op de dagbesteding zat”, zegt mijn broer.
Ik kijk hem vragend aan. Ik weet het niet meer.
Laatst voelde ik opluchting toen een collega tijdens een werkoverleg niet op een naam kon komen.
Mijn broer houdt een glas smoothie in zijn hand. De verzorgster had het hem meegegeven. Mijn moeder was er net aan begonnen. Hij zet het glas neer en ik schuif haar stoel aan. De goudkleurige bies op haar zwarte truitje valt me op.
Mijn familie had gemaild dat ze op bezoek zouden komen. Ik gaf hen de code van de lift.
„Onthouden of opschrijven, anders zit je vast”, schreef ik.
Vreemde naam
Op haar kamer haalt mijn broer enkele shirts uit zijn rugzak. Ik leg ze in de kast en vraag of ik op het labeltje van haar truitje mag kijken. Er staat een vreemde naam in.
Terwijl we over de gang lopen, klinkt plotseling geschreeuw. Haar ogen worden groot.
„Jullie blijven toch wel?”, vraagt ze kleintjes.
In de eetruimte zit een verzorger bij het bed van een huilende vrouw, haar handen in de zijne.
„En mijn vader en moeder zijn er niet meer”, jammert ze.
Na kalmerende woorden neemt een medewerkster mijn moeder van ons over.
We zwaaien en botsen bijna tegen een bewoner op. Ik herken hem aan zijn wanhopige huilgezicht. Hij wil met ons mee.
Zorgeloosheid
Buiten, richting het centrum, overrompelt de zorgeloosheid van de volle terrassen. We wandelen de Wip op en kijken uit over de haven. De Furie ligt er als vanouds.
„Wil je nou een ijsje of niet?”, vraagt mijn broer.
Aan een tafeltje zitten twee vrouwen: mollig, met uitbundige make-up. De een zegt iets, de ander schatert het uit. Het hoogblonde, opgekamde haar hangt als een wolk rond haar lachende gezicht.
Iets in hun lach herinnert me aan haar.
„Ja, doe maar.”