Vallen en opstaan met boulderen: ‘Angst anders dan de werkelijkheid’
Ik wilde het al heel lang weer eens proberen. Boulderen. Vijf jaar bleef het bij die gedachte. De laatste keer was inmiddels vijftien jaar geleden. Toch bleef het mij bezighouden.
Niet alleen omdat vrienden het regelmatig doen, maar ook omdat de combinatie van puzzelen en bewegen mij aanspreekt. Je bent niet alleen fysiek bezig, maar ook mentaal.
De afgelopen tijd begon ik met krachttraining. Rustig aan, met begeleiding, in een voorspelbare omgeving zonder al te veel verrassingen. Dat voelt veilig. En veiligheid is voor mij belangrijk. Na een jeugd waarin veiligheid niet vanzelfsprekend was, zit dat gevoel van onveiligheid diep in mijn systeem. Daardoor ervaar ik spanning in groepen. Ik ben bang om afgewezen te worden of niet goed genoeg te zijn.
En dat neem ik overal mee.
Wat er mis kan gaan
Mijn innerlijke criticus blijkt namelijk wel opvallend fit. Die gaat overal mee naartoe en weet altijd precies te vertellen wat er mis kan gaan. Tijdens het klimmen ben ik niet alleen bezig met de route. Ik ben ook bezig met de mensen om mij heen. Kijken ze naar mij? Zien ze dat ik het niet kan? Als een route niet lukt, voelt het al snel alsof ík niet goed genoeg ben. Alsof ik tekortschiet of niet sterk genoeg ben. Daardoor durf ik minder uit te proberen en blokkeer ik sneller. En dan heb ik ook nog hoogtevrees, waardoor hoogtes voor mijn gevoel veel hoger zijn dan ze in werkelijkheid zijn.
Maar afgelopen week was het eindelijk zover. Samen met een vriendin die ik al ken sinds de brugklas ging ik voor het eerst in vijftien jaar weer boulderen. We kennen elkaar door en door. Bij haar hoef ik niet bang te zijn dat ze mij afwijst. We gingen vroeg op een doordeweekse dag, dus het was nog rustig.
De eerste route ging niet best. Maar dat gaf niet. Ik deed het gewoon. We hadden lol en dat was genoeg.
Ondertussen werd het drukker. Om mij heen liepen ervaren boulderaars die moeiteloos omhoog klommen, met een zelfverzekerdheid alsof ze de zwaartekracht persoonlijk hadden uitgedaagd. Mijn vriendin was ook veel beter dan ik. Maar ik bleef tegen mijzelf zeggen dat dat logisch was. Zij had vaker geklommen en zelfs een tijd aan paaldansen gedaan. Ik hoefde mijzelf niet met haar te vergelijken.
De volgende route haalde ik tot de bovenste greep. Met twee handen pakte ik hem vast.
Gelukt.
En toen moest ik nog naar beneden.
Lichaam nam beslissing
Op dat moment sloegen mijn hoogtevrees, sociale angst en behoefte aan controle de handen ineen. Onder mijn rechtervoet zat gewoon een grote greep. Ik zag hem niet meer. Mijn hoofd liep vast. Alles voelde ineens veel te hoog. Naar beneden gaan leek opeens ingewikkelder dan omhoog klimmen.
Mijn lichaam nam de beslissing voor mij.
Ik viel. Ongeveer drieënhalve meter naar beneden, op de dikke schokabsorberende mat.
Ik stond op en moest lachen om mijzelf. Niemand was onder de indruk. Niemand was met mij bezig geweest. Niemand veroordeelde mij. Ik had geen blessure en geen pijn.
Misschien was dat wel het mooiste van die ochtend. Niet dat ik de route haalde, maar dat ik ontdekte dat mijn angst een ander verhaal vertelde dan de werkelijkheid. Mijn hoofd zag een ramp. De praktijk liet iets anders zien.
Misschien ga ik daarom binnenkort gewoon weer.