Arnold pleit voor een wereldklok: ‘Eén wereld, één tijd?’
Het WK voetbal brengt me op een gedachte waar ik nooit eerder zo bij had stilgestaan. Terwijl duizenden supporters in Amerika het stadion binnenlopen, zet ik hier midden in de nacht een kop koffie. Niet omdat ik niet kan slapen, maar omdat de klok vindt dat ik zou moeten slapen.
Natuurlijk begrijp ik waarom tijdzones bestaan. De zon komt niet overal tegelijk op. Logisch. Sterker nog, eeuwenlang was het een briljante oplossing.
Alleen leven we niet meer in die eeuwen.
Vandaag stuur ik binnen een seconde een bericht naar Australië, vergader ik online met iemand in Singapore en kijk ik naar een wedstrijd aan de andere kant van de wereld. De afstanden zijn verdwenen, maar de tijd is achtergebleven.
En dus vraag ik me af: wat als we allemaal dezelfde tijd zouden gebruiken?
Niet twaalf tijdzones. Geen zomertijd. Geen wintertijd. Geen eindeloos rekenen of iemand wakker bellen omdat je dacht dat het daar ook ochtend was. Gewoon één wereldklok.
Laatste kunstmatige grens
Natuurlijk blijft de zon in Nederland op een ander moment opkomen dan in Japan. Maar wat maakt het eigenlijk uit of je werkdag begint om 8.00 uur of om 14.00 uur? De zon trekt zich tenslotte ook niets aan van onze afspraken.
Misschien is tijd wel de laatste grens die we kunstmatig in stand houden. Een overblijfsel uit een wereld die kleiner was dan de wereld waarin we nu leven.
Het WK maakte me daarvan bewust. Terwijl miljoenen mensen naar dezelfde wedstrijd kijken, leven we officieel in verschillende tijden.
Misschien is de aarde allang één wereld. Alleen onze klokken hebben het nieuws nog niet ontvangen.