Hilde na één leuke avond: ‘Twaalf gemiste oproepen en een Prinsengracht-fantasie’
Sommige avonden beginnen onschuldig en eindigen met levensvragen. Ik zat met een van mijn beste vrienden in onze favoriete bar. Het zou me niets verbazen als de barmannen daar ons burgerservicenummer inmiddels uit hun hoofd kennen.
Mijn vriend en ik waren in een jolige, experimentele bui en vonden het een goed idee om opdrachten voor elkaar te verzinnen.
Vier Salmari en een fout
De opdracht die ik kreeg, was dat ik vier shots moest bestellen en ervoor moest zorgen dat twee mannen die shots bij ons aan tafel kwamen opdrinken. Normaliter ben ik niet bang om op mannen af te stappen, maar ik voelde me ineens net een 16-jarige die voor het eerst een discotheek binnenloopt. Ik haalde diep adem en riep naar de barman: „Vier Salmari-shots graag.” Ik keek de bar rond en schuin tegenover ons zaten twee mannen met hun rug naar ons toe. Terwijl de barman de shots op tafel zette, vertelde ik hem over mijn challenge. Hij moest lachen en ik vroeg of hij de twee mannen mijn kant op wilde sturen.
Die seconden leken uren te duren. En ja hoor, de mannen stonden op en kwamen lachend naar ons toe. Ik had al snel een klik met Roderick. Ja, heel cliché: gestudeerd in Utrecht, werkt als advocaat in Amsterdam en woont daar ook. Ik zag mezelf al zitten in een mooi pand aan de Prinsengracht, in een little black dress, met een martini en een wetboek, dromerig uitkijkend over de grachten. Zo’n moment waarop je brein alvast vooruitspoelt naar een leven dat nog niet eens begonnen is.
Prinsengracht in mijn hoofd
Terwijl ik met Roderick in gesprek was, werd de tweede date ter plekke gepland. Oesters en champagne. Hallo, mag ik mijn trouwjurk alvast uitzoeken? Ondertussen moet ik altijd lachen wanneer ik vertel dat ik over daten schrijf. Mannen willen dan opvallend graag in mijn column terechtkomen. Als ik er eerlijk bij zeg dat dat zelden positief is, reageren ze steevast met: „Ik bewijs het tegendeel.” Alsof dat een challenge is en geen waarschuwing.
We lachten, namen afscheid en wisselden nummers uit. En ja, ik realiseerde me later pas dat ik zijn skinny jeans eigenlijk niet eens goed had bekeken. Details, waarbij de eerste lichte twijfels begonnen te komen.
Eenmaal thuis viel ik vrijwel direct in slaap. Zo’n diepe, alles-vergetende slaap waarin je telefoon ergens ver weg ligt te trillen. De volgende ochtend keek ik op mijn scherm en telde ik twaalf gemiste oproepen, inclusief berichten. Waaronder: „Ik ben helemaal verliefd op jou.” Ik las het met één oog open en één wenkbrauw omhoog. Niet omdat het onaardig was, maar omdat het… veel was. En vooral: snel. Te snel voor iemand die ik vooral kende van een paar shots en een goed verhaal.
Terug naar de realiteit
We verwarren aandacht met verbinding. Tempo met diepgang en enthousiasme met intimiteit.
Ik dacht terug aan die eerdere singlesborrel, aan alle halve verhalen en lege gesprekken. En nu dit: de overvolle versie. Misschien is het niet leegte of overvloed waar we naar zoeken, maar iets ertussenin. Iemand die niet verdwijnt, maar ook niet meteen twaalf keer belt.
Ik leg mijn telefoon weg en denk: misschien is liefde tegenwoordig niet te weinig, maar juist te veel. Te snel, te groot, te vol. En misschien is het meest aantrekkelijke wat iemand kan zeggen niet: „Ik ben verliefd”, maar simpelweg: „Ik zie je morgen.”
En eerlijk? Dat zou pas echt indruk maken. En mocht je je afvragen of er nog iets terecht is gekomen van oesters en champagne: ik heb ze netjes overgeslagen.