Sympathy for the beggar? ‘Rolling Stones als langharige armoedzaaiers’
In juli 1962 vloog mijn vader met Claire, zijn eerste vrouw, naar de luchthaven van Heathrow, waar ze snel hun bagage in een taxi propten. Die bracht hen naar hartje Londen, waar ze zouden logeren in een ultramodern hotel.
Zo rustten zij even op hun hotelkamer. Nadien deed mijn rijke vader zijn smoking aan en stapte fier met zijn eega de lift recht naar boven tot étage 20 waar het restaurant zich bevond. Ze genoten daar van de jazzband tijdens en het mooie uitzicht op de Theems waar veel luxe jachten te zien waren.
De volgende namiddag nam het adellijke koppel plaats in een rode dubbeldekker die dwars door de hoofdstad reed. Vader nam foto’s van het Buckingham Palace waar God Save the Queen al een tijdje de scepter zwaaide. Vader pochte dat zijn Parijse voorouders nog veel majestueuzer woonden. Claire glimlachte verliefd naar haar echtgenoot en zo genoten ze onder de felblauwe lucht van de vele toeristen en het getoeter van de autootjes. Mijn hoogintelligente vader fungeerde in die dubbeldekker als een volleerde gids. Hij wees overal naar: „Kijk daar de Tower Bridge, de beroemdste brug ter wereld, en hoor je nu de Big Ben luiden?” Alweer was Claire onder de indruk van haar man alsook de Japanners die naast hen zaten.
Verstopte parels
Tegen de avond liep het mooie jonge stel door de straten waar zich veel interessante musea bevonden, alsook rustgevende parken, gezellige wijkjes en verstopte parels van bezienswaardigheden. Ze hadden er beiden honger en dorst van gekregen en toen zagen zij rumoerige jongeren aan een taverne staan. Het was The Marquee Club. Vader trok aan de hand van zijn vrouw: „Kom we gaan hier iets consumeren, ziet er gezellig uit.”
Ze werden meteen bediend en aten fish and chips. Dat is een klassiek Londens gerecht dat met gebakken vis en friet wordt geserveerd. Het is een must try voor iedereen die de stad bezoekt.
Maar vader vond dat de artiesten die daar optraden wat flauw waren en wilde afrekenen bij de kelner en weggaan. Tot enkele Britse schooljongens riepen: „We want the Stones, we want the Stones!”
Met een ietwat spottende stem klonk de cafébaas: „And now ladies and gentlemen, please welcome the Rolling Stones, it’s their first live performance and maybe their last time.” Een luid gejuich vulde de Marquee Club.
Door het dolle heen
Vader schrok zich te pletter: „Vijf langharige armoedzaaiers spurtten het podium op en staken meteen van wal: Little red rooster, You better move on, Carol.
Het publiek was door het dolle heen en Claire wilde zo snel mogelijk weer terug naar buiten, snakkend naar frisse lucht. Maar vader fluisterde: „Ik blijf nog even, ik heb sympathy for the beggar.”
Ik schreef de laatste vijf jaar een honderdtal odes voor deze Rolling Stone, and yes he likes it.
Nu woont sir Jagger in een kasteel aan de Loirevallei. Mijn vader is gestorven aan drankzucht in een Brussels kamertje zonder een rooie duit. Jawel, mijn pen schreef veel over vaders ups and downs, verhalen die mijn idool ook kent. Wellicht denkt Mick: „I have empathy for this blue blood beggar.”