De generatie die alles deelt, behalve zichzelf: ‘Digitale pleisters op de wonden’
Vroeger kende je je buren beter dan je familie op Facebook. Je wist wie er ruzie had. Wie te veel dronk. Welke man iets te lang bleef hangen bij de kapster in het dorp. Niet omdat mensen toen eerlijker waren, maar omdat ze dichter bij elkaar leefden. Letterlijk. Je kwam elkaar tegen. In de supermarkt. Op straat. In het echte leven, zonder filter.
Nu weten we vooral dat iemand in Thailand zit, een smoothie drinkt in Bali of ‘even offline gaat’ in een hutje op de Veluwe, wat vervolgens natuurlijk uitgebreid online gedeeld moet worden. We zijn nog nooit zo verbonden geweest en tegelijkertijd nog nooit zo alleen.
We appen „hoe gaat het?”, terwijl we hopen op het antwoord: „Goed hoor :).” Want niemand heeft tijd voor de waarheid. Niet voor het verhaal over slapeloze nachten, paniekaanvallen of dat verlammende gevoel van leegte op zondagavond. Dus sturen we hartjes. Duimpjes. Vuurtjes. Kleine digitale pleisters op wonden die eigenlijk gehecht moeten worden.
Verdriet zelfs succesvol
En ergens is dat begrijpelijk. We leven in een tijd waarin zelfs verdriet er succesvol uit moet zien. Een burn-out met een havercappuccino op een yoga-retreat in Portugal oogt nu eenmaal beter dan huilend in je auto op de parkeerplaats van de Albert Heijn.
Maar het echte leven woont niet in perfectie. Het zit in de rafelranden. In mensen die zeggen: „Ik trek het vandaag niet.” In een vriend die niet vraagt of het uitkomt, maar aanbelt met bier en bitterballen. In stiltes waarin niets opgelost hoeft te worden.
Misschien hebben we niet meer volgers nodig. Misschien hebben we meer mensen nodig die blijven zitten als het stil wordt.
Want uiteindelijk redden we het niet op likes. Alleen op liefde. En op mensen die niet weglopen zodra het echte gesprek begint.