Het enige wat Abdelkhalek in Nederland heeft geleerd: ‘Dat verlegenheid onnodig is’
Toen ik op de middelbare school zat, was ik erg verlegen. Als de leraar Frans een vraag stelde, gaf ik het antwoord zachtjes door aan de leerling die naast mij zat. Hij was niet bijzonder slim, maar wel zelfverzekerd en helemaal niet verlegen.
Hij gaf mijn antwoord hardop aan de leraar, die dacht dat het van hemzelf kwam. Zo kreeg die jongen de reputatie van een intelligente en actieve leerling. Dat beeld werkte in zijn voordeel en hielp hem om een goede indruk te maken.
Toen kwam het schriftelijke examen. Die jongen wist dat ik het goed zou doen en kopieerde mijn werk. Bij het nakijken merkte de leraar dat onze antwoorden identiek waren. Hij ging er echter vanuit dat ík van die andere jongen had gekopieerd.
Hij gaf hem een uitstekend cijfer, maar haalde er bij mij acht punten af. Als opmerking schreef hij dat ik onafhankelijk moest zijn en op mijn eigen kracht moest vertrouwen. Dat voelde bijzonder onrechtvaardig. Ik wist dat de waarheid precies het tegenovergestelde was, maar ik zei niets.
Beter presteren
Toch had ik vertrouwen dat de waarheid vroeg of laat aan het licht zou komen. Bovendien had ik andere leraren – voor wiskunde, natuurkunde, scheikunde en sport – bij wie ik veel beter presteerde. Mijn sportleraar zei zelfs regelmatig dat ik het talent had van een toekomstig olympisch kampioen.
Later vond er een vergadering plaats waarbij alle leraren samenkwamen om elke leerling te bespreken. Ik was daar niet bij, maar ik was ervan overtuigd dat dit het moment van de waarheid zou zijn. Daar zouden alle prestaties en opmerkingen naast elkaar worden gelegd. Voor sommige leerlingen zou zo’n moment opluchting brengen, maar bij mij gebeurde het tegenovergestelde.
Ik voelde een koude, stille woede. Mijn motivatie om te studeren verdween. Het was alsof er iets in mij brak. Niet omdat ik een slecht cijfer had gekregen, maar omdat ik verkeerd was beoordeeld.
Na die vergadering hadden we toevallig als eerste les Frans. Ik kwam de klas binnen met een kalme, maar ijzige boosheid en besloot om niet meer te praten. De leraar leek zich van geen kwaad bewust.
Geheim agenten
Hij zei dat sommige leerlingen intelligent zijn, maar zich gedragen als geheime agenten: ze observeren zonder iets te zeggen. Daarna keek hij mij aan en vroeg: „Ik heb het over jou. Waarom praat je niet?”
Ik gaf geen antwoord. Zelfs als ik er een had gehad, zou ik niets hebben gezegd. Hij begreep niet dat mijn stilte voortkwam uit verlegenheid én uit alles wat er gebeurd was.
Het examen vond drie keer per jaar plaats. Bij het derde examen verscheen ik niet. Dat was tegen de regels en gebeurde normaal nooit. Uiteindelijk werd de leraar verplicht om het examen opnieuw met de hele klas af te nemen, speciaal voor mij.
De klas vertelde mij dat later. Opmerkelijk genoeg deed het mij weinig. Ik was niet bezorgd en voelde geen druk. Ik wist slechts één ding zeker: ik zou slagen.