In de Amsterdamse buurthuiskamer: ‘De goedheid van een ander niet herkend’

Peter Roozendaal 6 jun 2026, 

Wie lang genoeg in een buurthuiskamer zit, ontdekt dat vriendelijkheid niet altijd wordt herkend.

Als ondersteuner van Amsterdamse buurthuiskamers loop ik af en toe ergens naar binnen om wat inspiratie op te doen. De vrijwilligers die er werken zijn vrijwel altijd plezierige mensen.

Deze keer schoof ik aan bij een tafel waar twee vaste gasten, Frank en Hassan, verwikkeld waren in een discussie.

„Mag je als huurder een dakloze onderdak geven?”

Volgens Frank wel, maar zijn huurcontract verbood het expliciet.

„Schande”, vond hij. „Pure discriminatie.”

Ik gaf hem gelijk en vertelde hoe ik ooit zes maanden naar India ging en mijn appartement onderverhuurde.

„Prima ervaring”, zei ik. „Toen ik terugkwam, was alles zo netjes achtergelaten dat ik de onderhuurder zelfs korting gaf.”

Zelf bepalen

„Precies”, zei Hassan. „Iedereen moet zelf kunnen bepalen wie er in zijn huis komt.”

„En ook wie er niet welkom is”, vulde Frank aan.

Daarna vertelde hij zijn verhaal.

„Ik had ooit zo’n gast in huis die weigerde te vertrekken. Toen ik hem zei dat hij weg moest, lachte hij me vierkant uit. Ik had toevallig een revolver bij de hand en schoot hem door zijn kop.”

Ik moest even slikken.

„Heftig, Frank. Hoe is dat afgelopen?”

„Ik heb zelf de politie gebeld. Twaalf jaar gezeten. Vught. De EBI.”

Even viel er een stilte.

Toen zei Frank: „En nu is zo’n rotzak er met mijn pakje shag vandoor gegaan. Als ik hem tegenkom, zet ik het hem betaald.”

„Misschien heeft hij het pakje per ongeluk meegenomen”, zei ik. „Wie weet komt hij straks terug om sorry te zeggen en neemt hij wat lekkers voor je mee.”

Waarom ik dat laatste zei weet ik niet meer. Het kwam gewoon in me op.

„Onzin”, bromde Frank.

Amigo

Hij werd steeds bozer. Karim en ik zwegen en aten verder van onze tomatensoep met een broodje kaas.

Plotseling verscheen er een man aan onze tafel. Kort van stuk, donker haar, snor, ringbaardje en een zwarte bril. Hij legde een pakje shag voor Frank neer en schoof een bakje Russische salade zijn kant op.

„Van de Albert Heijn, amigo. Lekker, lekker.”

Daarna liep hij weer weg.

Frank bleef roerloos zitten.

Toen de man verdwenen was, zei ik: „Dat is toch hardstikke leuk!”

Frank zweeg.

Na een minuut keek hij naar het pakje shag.

„Moet je nou eens kijken. Bijna leeg. Die vent heeft natuurlijk eerst een paar flinke shaggies gedraaid.”

Ik besloot mijzelf maar even onzichtbaar te maken.

Ja, in een Amsterdams inloophuis kom je allerlei typetjes tegen. Sommige zijn beschadigd, sommige wijs, sommige grappig en sommige leven in hun eigen werkelijkheid. Maar bijna allemaal leren ze je iets over jezelf en de ander.

En de vrijwilligers? Die zorgen ervoor dat niemand iets tekortkomt.

Zelfs niet wanneer iemand de goedheid van een ander niet meer herkent.

Reacties