Vader en zoon Krulstaart op reis: ‘Waarom gaat mama niet mee?’

Sigrid Kempen 20 mei 2026, 

-„Kom op, volg die mijnheer de wagen in, zoon.”

„Waarom papa? Ik wil hier in de stal blijven.”

-„Ja, het moet, we zijn gegroeid in de breedte.”

„En moeten we dan op reis in die vieze vrachtwagen? Er zijn nauwelijks ramen en waarom gaat mama niet mee?”

-„Mama moet hier blijven biggen.”

„Maar ik heb toch zat broertjes en zusjes, en moeten die niet mee?”

-„Die zijn nog niet volgroeid.”

„Waarom ligt mama tussen stalen balken te biggen?”

-„Dan denkt ze aan niets anders.”

„En waarom moest ik zo vroeg weg bij mama?”

-„Om plaats te maken voor de volgende biggen. Je vraagt wel veel zoon.”

„Ik mis mama, oef niet duwen, wat gaan er veel families in deze vrachtwagen zonder veel ramen.”

De wagen slingert

-„Ja, we mogen niet uit de ramen kijken. Ik zie ook niet veel, alleen ijzeren blikken die voorbij zoeven.”

„Ho, papa, daar ging ik bijna, de wagen slingert erg nu we op weg zijn.”

-„Rustig zoon, rustig ademen.”

„Maar papa ik kan bijna niet ademen, het neefje van de familie Roze zit vlak voor mij en steekt zijn staart bijna in zijn neus. Wacht eens even, hij heeft geen staart. Waarom is dat, papa?”

-„Zonder staart schijn je minder te stinken.”

„Waarom hebben wij dan wel onze staart?”

-„Wij mochten blijkbaar wel stinken.”

„Stinken wij zo hard dan? Wij varkens zijn toch hartstikke schoon, we gaan zelfs naar een apart gedeelte van de stal, als die er is, om te toiletteren.”

-„Niet iedereen denkt er zo over, zoon. Soms speelt iets anders mee, ik heb het ooit gezien, het glinstert in de mijnheer zijn handen.”

„Wat is het dan?”

-„Ik weet het niet.”

Varkensparadijs

„Waar gaan we nu heen?”

-„Ik weet het niet, maar ik voel dat de bestemming van deze reis ons niet gunstig gezind is, zoon.”

„Wat bedoel je papa, oh daar ga ik weer bijna en het neefje prikt in mij neus en zijn oom port in mijn zij.”

-„Rustig ademhalen. Die wagen slingert erg. Ik heb van een verre oom gehoord dat er een varkensparadijs is in Groningen. Daar is ie heen gegaan. Waarom weet ik niet. Hij zei dat het niet het varkensparadijs is waar we heen gaan.”

-„We mogen uitstappen papa.”

„Ja, rustig aan, probeer bij mij te blijven.”

-„We moeten in die stal daar. Wat stinkt het daar en wat zie ik in die gang? Het lijkt wel een nachtmerrie, ik dacht dat ik oom Knorrie opgehangen zag.”

„Volg de rest maar.”

-„Daar komt een mijnheer met een lange buis en…”

„Zoon kijk uit en…”

Reacties