Monique was nu ook ‘mijn moeders moeder’
Mijn moeders handen gloeiden. Zou ze koorts hebben? Ik probeerde de bruine randen onder haar nagels te negeren. Aan haar gezicht zag ik dat ze niet lekker zat.
Aan haar voeten dikke sokken: de ene knalroze, de andere felgroen. De kleuren van Doe Maar. Het deed me denken aan Henny Vrienten. Zijn overlijdensbericht trok een bak vol herinneringen aan mijn middelbare schooltijd open.
In de brasserie van het verpleeghuis fluisterde ze bezwerende teksten voor zich uit. We bogen ons naar haar toe. Er klonk onrust in haar zinnen.
Daar kwam de vrouw met het poppenkind. Ze hield de handvatten van haar rollator vast, parkeerde hem naast de tafel, pakte de pop uit het mandje en nam plaats. Glimlachend keek ze naar het kind tegenover zich.
„Kijk, wat een grote pop”, zei mijn moeder.
Onbegrijpelijke taal
Ze overzag de situatie in een oogopslag en vond het juiste woord. Zoals ze feilloos de letters op het shirt van mijn broer spelde, om daarna weer voor zich uit te mompelen in voor ons onbegrijpelijke taal.
Pas toen ze aan het tafeltje in de brasserie was aangeschoven en ik na enkele minuten kwam aanlopen met een dienblad, keek ze blij verrast op. Alsof ze wilde zeggen: „Hee, jij ook hier?”
Enkele dagen later durfde ik te beginnen over haar vieze nagels en ongewassen haar. Eerst had ik dagenlang getwijfeld. Ik was bang het contact met de welwillende verzorgers te verstoren.
Ooit stond ik tegenover de kleuterjuf van mijn zoontje, een vrouw die menig moeder aan het huilen had gebracht. Voor mij geen tranen, maar na afloop fietste ik hard weg van machteloze woede. Ik kwam voor mijn zoon op en was me akelig bewust van wat dat met hun relatie kon doen.
Nu was ik ook mijn moeders moeder. Bovendien ben ik ook mijn eigen moeder. Uiteindelijk pakte ik de telefoon.