De storm: ‘Een wrak spoelde aan met twee druipnatte mensen’
Waarom heet ik eigenlijk Caliban? Taliban? Kannibaal? Geen enkele naam die vriendelijk klinkt en die mij hoop geeft op welwillende blikken of een beter leven.
Vandaag is de zee rustig, maar tien jaar geleden was dat heel anders. Toen was er een gruwelijke storm en daaruit spoelde een wrak bootje aan met twee druipnatte mensen. Een man en een kleuter. De man keek naar me en ik zag de afkeuring in zijn ogen. Wat moet jij hier? Ook zonder stem kon hij dat vragen. Ook zonder stem kon hij me noemen hoe ik heet: Caliban. Mijn naam, mijn noodlot.
Het kind
In het begin zag het kleine meisje me als haar grote broer. Ze waggelde met me over het eiland en ik toonde haar alle schatten. De prachtige kliffen, de geheimzinnige grotten. Ik liet haar het lied horen van de zee, de duizend stemmen van de wind, het tinkelende geluid van rollende steentjes, het zoemen van de schelpen aan je oor. Haar ogen gingen wijd open; ze wist niet wat ze allemaal hoorde; het maakte haar angstig. Ik glimlachte naar haar. „Wees niet bang, niets doet hier pijn. Het eiland is vol geluiden die vreugde geven. Soms zullen duizend zingende instrumenten jouw oren strelen. En als je slaapt en droomt, kun je denken dat de wolken zullen wijken en jou hun verscholen rijkdom tonen. Zo ging het mij ook. Het was zelfs zo mooi, dat toen ik wakker werd, ik weer wilde slapen en dromen. Ik wil hier nooit meer weg.”
We liggen op het strand naar de lucht te turen en zien hoe de vogels dwarrelen.
-Caliban, je moet naar me luisteren als ik iets zeg.
-Waarom denk je dat ik zo heet?
-Mijn vader heeft me dat verteld.
-Ik vind Caliban een gemene slechte naam. Mag ik geen andere?
-Papa zegt dat je een naam niet kunt veranderen. Die hoort voorgoed bij jou.
De vader
Daarna zag ik Miranda alleen nog maar op afstand. Haar vaders blik werd steeds donkerder en kouder. Hij kwam naar me toe en vroeg grimmig: „Ken jij geen dankbaarheid, slaaf, voor wat ik je heb geleerd?” Toen daalde een knuppel op mij neer. Pijn, pijn, pijn… „Wat denk je wel, vuile hond! Al was je de laatste man op aarde, ik wil je niet in de buurt van mijn dochter! Pas op, of ik trek die bolle ogen uit je mismaakte snuit! Jij, jij slaaf! Jij bent nooit een mens geweest en zult er nooit een worden.” De magie doet zijn werk. Ik zie mezelf door zijn ogen. Hij heeft die van mij dus echt uit mijn hoofd gehaald. Had ik maar niet gekeken, niet geluisterd, geen taal geleerd. Dan had ik nog kunnen denken dat ik een mens was.
De tijd gaat steeds sneller; elke dag vind en zie ik wat er eerst niet was. Er vergaat weer een schip. Mensen zwerven ineens overal rond en negeren mij. Behalve die ene met zijn rare muts en rode neus en een staf met rinkelbellen. Ik leer een nieuw woord. Nar.
-Hela; wie ben jij?
-Ik ben- (‘Caliban’ krijg ik niet uit mijn strot.)
-Aangenaam kennismaken, Ben. Ik ben nar. Dus ook een beetje Ben.
Dan vertelt de magiër het hele verhaal van zijn onterechte verbanning naar dit naamloze eiland. Hij mag terug naar zijn geboorteland en krijgt zijn rechten terug. Iedereen gaat weg. Het eiland wordt overgelaten aan de natuur en de wind.
Weer alleen
Het eiland is weer wat het was, maar ik niet meer. De enigen die nog met mij praten zijn wind en zee en zand. Ze zeggen dit: „Wij waren allen geesten, en zijn versmolten met de lucht, de ijle lucht, samen met de wereld die we schiepen…. Wij zijn het stof waarvan dromen zijn gemaakt, en lossen op in diepe slaap.”
Ook mij geneest de slaap. Ik zal nooit meer slaaf zijn. Ik weet nu dat ik dat ook nooit was; ik was tot slaaf gemáákt. Nu ben ik vrij. Ik schreeuw:
Ik mag heten wie ik wil. Ik Ben Mens.