Anne Frank op Goede Vrijdag
Hoe zou een preek klinken als Anne Frank in de kerkbank zat?
Het is weer Goede Vrijdag. Gelovigen herdenken de kruisiging van Jezus Christus. Niet-gelovigen maken zich op voor een weekend genieten.
De eerste keer dat ik Goede Vrijdag bewust meemaakte, was Pasen 1953, in de Nicolaaskerk in Baarn. Ik was een jongen van 7. En ik schrok. De priester ging tekeer tegen de Joden. „Aan het kruis met hem!”, riep hij, steeds opnieuw. Het was geen verhaal, het was een aanklacht.
Ik raakte in de war. Een paar dagen eerder, op Palmzondag, hadden diezelfde Joden Jezus nog met „Hosanna” verwelkomd in Jeruzalem. Hoe konden zij in een paar dagen veranderen van juichende menigte in een schreeuwende massa?
Ondergedoken
Thuis kende ik andere Joden. Tijdens de oorlog hadden er vijf bij ons ondergedoken gezeten. Later kwamen ze vaak op bezoek. Ik hoorde verhalen over de moffen en over wat er allemaal gebeurd was. We gingen naar hun verjaardagen. Ik noemde ze ooms en tantes. Fysiek leken ze op mijn moeder. Er werd gelachen en de moppen gingen over Sam en Moos. Ik mocht met mijn moeder een keer mee naar de synagoge. We reden met een koetsje door het park.
Pas toen ik een jaar of 5, 6 was, kreeg ik te horen dat wij niet Joods waren maar katholiek.
Terug naar Goede Vrijdag 1953. Na de kerk gingen we weer naar school. Tijdens het speelkwartier hoorde ik iemand roepen: „Dood aan de Joden.”
Ik was in shock. Heb ik nu alles verkeerd begrepen? Zijn er twee soorten Joden – goede en slechte? Ik heb thuis gehuild en probeerde te begrijpen hoe deze tegenstrijdige beelden naast elkaar konden bestaan.
In de jaren die volgden, trok ik mij vaak uren terug met verhalen uit het Oude Testament – met de illustraties van Gustave Doré. Joden bleken mensen te zijn die rechtstreeks met God konden praten. Heel bijzonder. En nu, jaren later, na jaren colleges theologie, inclusief de Joodse visie, weet ik waar ik het over heb.
Anti-Joodse inkleuring
Ik weet nu dat het verhaal van Palmzondag aannemelijk is. Jezus was overal welkom in de synagogen. Hij moet dus wel geliefd zijn geweest onder de Joden. Het verhaal over de rechtszaak en het verraad door ‘de Joden’ draagt de sporen van een latere, anti-Joodse inkleuring – van heidenchristenen die zich door de Joden afgewezen voelden en hun frustratie een plaats gaven in het verhaal.
Het is niet zo dat ik religieuze teksten wil verbieden. Maar de manier waarop ze worden gebracht, kan vaak veel beter. Mijn maatstaf is eenvoudig:
Predik alsof Anne Frank tussen de kerkgangers zit.
Een pastoor of dominee die haar met zijn woorden niet op haar gemak zou kunnen laten zijn, zou zich moeten afvragen of hij nog het morele recht heeft om te preken.
Maar vandaag denk ik vooral aan dat kind in 1953.
Dat niets begreep van haat die uit een preek kwam.
En dat alleen wist: dit klopt niet.