Vingeren aan voedsel
„Wil je deze of deze?” Het brood wordt één voor één vastgegrepen en omhoog gehouden.
„Ik heb ook witte en bruine bolletjes.”
Weer worden er allerlei broodjes goed beetgepakt en omhoog gehouden.
„Zeg ik wil ze ook nog eten, aanwijzen mag ook.”
„Maar ik heb schone handen.”
Even later.
“Zijn de oliebollen nog warm?”
De handen worden plat op de oliebollen gedrukt.
„Ze zijn nog lauw.”
„Ik heb geen oven.”
„Je ken ze ook in de magnetron doen.”
„Ja, heb ik gedaan maar daarin gaan ze krimpen, het worden kanonskogels. Maar geef er maar vier.”
Op de markt
„Wat is dit?”, wijzend op een gesneden groentenmix van champignons, paprika, kool en nog een paar ondefinieerbare groenten.
„Heksenmix mevrouw, je ken er een eitje mee bakken of voor in de rijst of pasta.”
Het is koud, er wordt een handschoen in de bak gelegd waar de heksenmix in zit en er wordt met een grote mannenhand in gegraaid.
„Kijk, champignonnetjes, oesterzwammen, paprika, alles gesneden en wel.”
Een aantal groenten wordt beetgepakt dit gezegd hebbende.
„Zeg, je hoeft niet overal aan te vingeren.”
„Ja, maar ik heb schone handen.”
„Ja en je handschoen, hoort die ook bij de heksenmix?”
„Nee, dat niet, ik geef even een voorbeeld, u bent toch huisvrouw, dan weet u wat u er mee moet doen.”
„Nee, ik ben geen huisvrouw, maar ik kan wel koken. Doe maar een zakkie heksenmix dan.”
„Zeg u maar ho.”
De handschoen wordt er weer naast gelegd en een grote mannenhand schept de heksen mix in een plastic zakje.
Thuis wacht de hete pan. Ik houd van mannen, maar zonder al te veel bacteriën.
Ook houd ik van vingeren, maar niet in voedsel.