De selectieve moraal en cognitieve dissonantie van de ‘wereldburger’
Hoe vaak ik deze term de laatste jaren niet heb gehoord: ‘Ik ben een wereldburger.’
Een ogenschijnlijk nobele en zeer respectabele zelftypering die universaliteit, morele verhevenheid en humanistische betrokkenheid suggereert. Maar opvallend genoeg lijkt deze identiteit vaak te verdampen zodra concrete politieke conflicten zich aandienen die de wereldburger niet zo zint om hun plaats in te nemen.
Afghanistan, Iraq, Gaza, Syrië, Libië, Myanmar, Venezuela en nu Iran – het zijn precies die momenten waarop het kosmopolitische ethos plotseling opvallend en pijnlijk stil wordt. Of juist enorm worden toegejuicht zonder oog voor het volk te hebben.
Fragiele constructie
In de hedendaagse politieke en culturele retoriek presenteren velen zich als mensen die boven nationale grenzen en politieke loyaliteiten staan. De wereldburger, zo luidt het ideaal, voelt zich solidair met de mensheid als geheel. Toch blijkt deze universele solidariteit in de praktijk vaak een fragiele constructie. Wanneer morele principes politieke consequenties krijgen – een stem in het parlement, een resolutie in een internationale organisatie, of een duidelijke publieke positie – verdwijnt de kosmopolitische overtuiging opvallend snel naar de achtergrond of achter de horizon.
De recente gebeurtenissen rond Gaza vormen hiervan een pijnlijk voorbeeld. Terwijl duizenden burgers – en met name kinderen – stierven en internationale rechtsnormen onder druk staan, kiezen sommige politieke actoren ervoor zich te onthouden van een duidelijke positie. Het contrast tussen universele retoriek en politieke terughoudendheid roept dan ook een fundamentele vraag op: wat betekent het eigenlijk om wereldburger te zijn wanneer die universaliteit ophoudt zodra zij politieke kosten met zich meebrengt?
Het idee van een soort kosmopolitisme kent een lange filosofische traditie. Reeds in de oudheid verklaarde Diogenes van Sinope dat hij ‘burger van de wereld’ was. In de moderne tijd werkte Immanuel Kant dit op zijn beurt verder uit in zijn concept van kosmopolitisch recht, waarin alle mensen deel uitmaken van een universele morele gemeenschap. De implicatie van dit gedachtegoed is helder maar veeleisend: morele verplichtingen gelden universeel.
Toch laat de werkelijkheid vaak iets anders zien…
Waarden en gedrag
Psychologisch kan dit fenomeen worden begrepen via het concept van cognitieve dissonantie, ontwikkeld door Leon Festinger. Mensen ervaren spanning wanneer hun waarden botsen met hun gedrag. In plaats van hun gedrag aan te passen, rationaliseren velen hun positie. Conflicten worden:
1) ‘complex’ genoemd
2) verantwoordelijkheid wordt diffuus gemaakt of
3) men kiest voor ‘neutraliteit’.
Maar neutraliteit in een asymmetrische situatie is zelden werkelijk neutraal. Zij fungeert vaak als een subtiele vorm van (politieke) passiviteit.
Hierin schuilt de paradox van de hedendaagse samenleving en de wereldburger. Hij predikt universele waarden, maar handelt binnen de grenzen van politieke voorzichtigheid. Het kosmopolitisme verwordt zo tot wat sociologen ‘virtue signalling‘ noemen. Het uitdragen van morele waarden zonder dat deze daadwerkelijk het handelen sturen.
Een wereldburger zijn is echter geen esthetische identiteit, maar een morele verplichting.
Want de ware toets der universalisme ligt niet in abstracte taal over menselijkheid, maar in het moment waarop neutraliteit onmogelijk wordt. Pas dan blijkt of iemand werkelijk burger van de wereld is – of slechts een toeschouwer met een kosmopolitisch vocabulaire.