De heer Vreeswijk – overbodige stem
De winterjas kan de heer Vreeswijk nog best velen. Een vriendelijk zonnetje, maar een gevaarlijk oostenwindje. In zijn toestand neemt hij geen enkel risico. Het kan griep zijn, maar ook weer niet. Bij de met praktijk en al uit de buurt verhuisde huisarts kon hij geen afspraak maken. Eerst moet je Thuisarts.nl raadplegen.
Nou, daar kun je of een buikgriepje hebben of terminaal zijn. Daarna loop je een vragenlijst door over kwalen en andere ellende om ten slotte bij ‘u kunt het beste de praktijk bellen’ uit te komen. Bij de vraag of hij al door vijf meter lopen benauwd werd, had hij ‘ja’ ingevuld. Het advies ‘blijf dan maar zitten’ verscheen niet in het scherm; had zomaar gekund.
Toen hij de praktijk belde was er niemand aanwezig, zei de blikkerige stem en werd hij verwezen naar de huisartsenpost, nog verder uit de buurt. Voor spoedeisend kon hij 112 bellen.
Voor de zekerheid had hij alvast een tas met verschoning ingepakt en die bij het noodpakket in de meterkast gezet. Maar ja, wie van de broeders weet waar die tas staat als ze hem op komen halen en hij niet bij machte is om te praten?
Maar goed, vandaag voldoet de heer Vreeswijk aan zijn burgerplicht en vult twee stembiljetten in waarbij hij de gebruikelijke grap maakt door te zeggen: „Het valt nog niet mee al die vakjes rood te kleuren.” Voor humor is geen plaats bij de vrouw achter de tafel: „Dan is uw stem ongeldig hoor.”
Zijn uitstervende generatie sleept de humor en satire in haar kielzog mee. De generatiekloof beperkt zich niet langer tussen vroegere generaties met andere gedachten en idealen, maar wordt na de overbodig geworden babyboomgeneratie verbreed uitgediept over generatie x, y, z en verder. Fatsoen is in een zwart digitaal gat verdwenen en zelfingenomenheid stroomt als lava over een te vol land dat het over leiderschap heeft, maar als het op eigenaarschap aankomt het laat afweten. Ownen is slechts een populair lelijk woord.
De taal verengelst en kanker lijkt een bijwoord of bijvoeglijk naamwoord te zijn geworden, merkt de heer Vreeswijk ook nu weer als hij buiten loopt en bijkans door een snelle fiets wordt geschept. Niets is meer ’te gek’ en een mooie vrouw mag je niet meer ‘een lekker stuk”noemen. De ‘paranoia shitvogel’ is uitgestorven.
Het grind van het stadspark – voormalige stadskwekerij – knerpt onder zijn maat 47. Bij het glazen huis staat hij stil. Het is een restaurant waar de roman van zijn oud-buurtgenoot zich afspeelt (en waar hijzelf ook eens heeft gegeten: al is het niet altijd zo, eten uit eigen tuin is lekkerder. Ook duurder).
Het verhaal over de protagonist, een leraar, en de antagonist: zijn broer, een beoogd minister-president en de gruweldaad van hun zoons. Goed en kwaad… omkeerbaar tegenover elkaar aan tafel. Hun vrouwen spelen een belangrijke rol; afgezien van de fooi dus een inclusief diner.
De heer Vreeswijk loopt het in het boek beschreven bruggetje over met aan de overkant het eetcafé.
Hij weet nu welk boek hij tijdens deze Boekenweek gaat kopen. Ook bij welke boekwinkel: op korte afstand waar Theo van Gogh is vermoord, waar het kwaad onomkeerbaar geschiedde.
„Goedemiddag, heeft u De Overbodigen?”