Balen van de Bus
Ik reis met de bus naar het werk. De theorie is dat je dan meer vrije tijd hebt dan als je met de auto gaat. Je kan je tijd dan besteden aan nuttigere zaken dan in de file staan, zoals doomscrollen, gluren naar medepassagiers of gniffelen om het tentamenleed van tegen elkaar klagende studenten.
Mijn werkgever heeft milieudoelstellingen en is daarom bereid om de kosten van het busvervoer volledig te vergoeden. Veel beter dan die miezerige € 0,23 per kilometer waarvoor de Belastingdienst denkt dat je met de auto naar het werk kunt. Misschien moeten ze die berekening eens op een ander vervoersmiddel baseren dan de trapskelter.
Goed verhaal zou je zeggen, maar eens in de tien jaar wordt dit sprookje ruw verstoord. Wat dan, komen de wolven, prikt de prinses zich aan een spinnenwiel of wordt de draak wakker? Je zit er niet ver naast: er komt inderdaad een draak, maar dan een draak van een proces. Iedere tien jaar gunt de provincie het busvervoer via een aanbesteding aan een nieuwe vervoerder, die het zowel beter als goedkoper gaat doen.
Dat klinkt op papier als een tovermiddel, tot je weet hoe zo’n aanbesteding nou eigenlijk werkt. Er wordt een lijst van eisen en wensen gemaakt door de provincie (net als schoolmeisjes vroeger deden over hun toekomstige partner: ‘Hij moet een prins zijn, een eenhoorn hebben en een eigen paleis’). Vervolgens worden aan deze eisen en wensen punten toegekend (bonuspunten voor de eenhoorn) en een waarde in geld. Het vervoersbedrijf dat de meeste punten aantikt tegen de minste waarde in geld wint de gunning van het busvervoer voor de komende tien jaar.
Dit proces kent twee problemen: het is de provincie die bepaalt welke eisen en wensen de meeste punten waard zijn en de uiteindelijke keuze valt op de voor de provincie goedkoopste optie (lees: de VVD zit in het provinciebestuur). De vraag is of het belang van de reiziger daarbij wel voorop staat. Zo is het busvervoer voor mijn provincie Utrecht eind vorig jaar gegund aan een vervoerder die beloofde uitsluitend met elektrische bussen te gaan rijden, maar geen ervaring had met het maken van complexe dienstroosters (en even vergeten was dat elektrische bussen ook moeten worden opgeladen). Gevolg: sinds afgelopen december valt structureel zo’n 20% van alle busritten uit.
Inmiddels hebben provincies de mogelijkheid voor een verhaal met een echt happy end: ze kunnen stoppen met het malle VVD-sprookje van marktwerking en het busvervoer weer zelf gaan doen (onvergeeflijke vloek tijdens VVD-bijeenkomsten: inbesteden). Maar de komende tien jaar loopt het busvervoer in de provincie Utrecht nog via deze vervoerder, die al aangegeven heeft tot in ieder geval na de zomer weinig kans op verbetering te zien. En ze reden nog lang en ongelukkig.