Trots, maar wel even dimmen
Nederland is een land waar alles kan, behalve ergens trots op zijn zonder eerst sorry te zeggen. Trots is hier geen gevoel, maar een bijsluiter. „Ik ben best trots op Nederland”, zeg je. Pauze. Ogen knipperen. „Maar natuurlijk niet onkritisch hè.” Prima. Je mag door.
Wij zijn kampioen relativeren. Wereldkampioen zelfs, maar dat durven we dan weer niet te claimen. In andere landen zwaaien ze met vlaggen. Wij houden hem eerst tegen het licht, checken of het niet overdreven is en vouwen hem daarna netjes op. Enthousiasme is toegestaan, mits tijdelijk en zonder getuigen.
‘Doe normaal’ is bij ons geen advies, maar een bestuurscultuur. Ironie is onze veiligheidshelm. Je kunt er alles mee zeggen en daarna doen alsof je het niet zei. Dat voelt veilig. En vooral: niet gênant.
Permanent bekritiseren
Zeg „trots op Nederland” en iemand fluistert „Verdonk”, alsof het een verboden bezwering is. Alsof een gevoel meteen een partijprogramma wordt. Alsof je niet tegelijk kunt denken: dit is mijn land en het kan beter. Dat is ironisch genoeg precies hoe Nederlanders over alles denken. Wij houden van dingen door ze permanent te bekritiseren. Liefde, maar dan met mopperen.
We hebben een morele boekhouding ingericht waarin kritiek chic is en genegenheid verdacht. Nederland is een huis waar iedereen welkom is, maar waar de bewoner bij binnenkomst zegt: sorry voor de muren, sorry voor de regen, sorry dat het hier eigenlijk functioneert.
En ja, hier wonen mensen die zeggen dat Nederland vreselijk is. Koud. Racistisch. Saai. Maar ze blijven wel. Dat is alsof je elke dag klaagt over de trein en hem toch elke ochtend neemt. Niet omdat je hem waardeert, maar omdat hij rijdt. Dat noemen we dan loyaliteit-light.
Ik merk dat ik zelf ook meteen ga afremmen terwijl ik dit schrijf. Dat is geen toeval. Dat is training. Zodra het ergens op lijkt, trap ik op de rem. Straks denkt iemand nog dat ik ergens voor sta. Dat zou ongemakkelijk zijn.
Moreel superieur
Zodra je zegt dat je van mensen die hier wonen ook een beetje verbondenheid mag verwachten, wordt het stil. Stoelen schuiven. Blikken naar beneden. Verwachtingen zijn eng. Behalve als het over belasting, formulieren of afvalscheiding gaat. Dan zijn we streng, principieel en moreel superieur.
En toch zijn Nederlanders diep van binnen best trots. Op dijken. Op fietsen. Op het simpele idee dat je samen afspreekt elkaar niet te laten verzuipen. Dat is geen nationalisme. Dat is georganiseerde angst met beleid. Maar zeg het hardop en iemand vraagt of je even normaal wilt doen.
Misschien moeten we trots gewoon vernederlandsen. Niet borst vooruit, maar schouders eronder. Niet vlaggenzwaaien, maar iets maken dat werkt en daarna zeggen dat het ook niet perfect is. Trots als verantwoordelijkheid. Niet als schreeuw.
Trots, maar dan op z’n Nederlands. Zonder ontsnappingszin. Zonder ironisch rookgordijn. En ja, dit meen ik. Dat mag best eens gezegd worden.