Selectieve verontwaardiging en morele nabijheid

Anoir Benabdillah 11 feb 2026

Selectieve verontwaardiging en morele nabijheid: over empathie, identificatie en het publieke geweten…

De afgelopen weken confronteren ons met een opvallende en enorm ongemakkelijke discrepantie in publieke verontwaardiging. In het ene geval werden twee zusters met hoofddoek door een agent met knuppel geslagen, waarop een groot deel van Nederland zich primair schaarde achter de agent. Heel Nederland vond er iets van.

In het andere geval sloeg de Mobiele Eenheid een vrouwelijke Feyenoord-supporter en klonk vrijwel unaniem de verontwaardiging over disproportioneel politiegeweld. De vraag die zich hier opdringt is niet enkel politiek of juridisch, maar juist fundamenteel psychologisch, waarom weegt het ene slachtoffer zwaarder dan het andere in het collectieve morele oordeel?

Selectieve empathie

Een eerste verklaringslaag ligt in wat in de sociale psychologie bekendstaat als ‘in-group’ en ‘out-group-denken’.

Mensen hebben een sterke neiging om empathie selectief toe te kennen aan degenen die zij – bewust of onbewust – als ‘bij ons horend’ ervaren. Identificatie verloopt niet neutraal, maar langs culturele, etnische, sociale en symbolische lijnen. De Feyenoord-supporter wordt in de publieke verbeelding gemakkelijker geplaatst binnen een herkenbaar nationaal en cultureel kader: ‘iemand zoals wij’.

De zusters met hoofddoek daarentegen worden – hoe impliciet ook – vaker geassocieerd met ‘de ander’: religieus, cultureel, of maatschappelijk op afstand geplaatst.

Deze dynamiek beïnvloedt niet alleen empathie, maar ook de toeschrijving van schuld en verantwoordelijkheid. In het eerste geval verschuift de aandacht sneller naar context, dreiging en rechtvaardiging van het geweld door de agent.

Framing

In het tweede geval domineert het beeld van buitensporig machtsgebruik en onschuldige kwetsbaarheid. Het slachtoffer wordt niet op dezelfde manier gelezen, geïnterpreteerd of ‘gepositioneerd’ in het morele verhaal.

Daarmee raken we aan een tweede mechanisme en dat is die van framing. Media en publieke discoursen bepalen niet alleen wát wij zien, maar ook hóe wij het (moeten) zien. De context waarin geweld wordt gepresenteerd – ordehandhaving, rellen, dreiging, of juist een individuele burger – stuurt de emotionele en morele reactie van het publiek.

Psychologisch onderzoek toont namelijk herhaaldelijk aan dat morele oordelen sterk contextafhankelijk zijn en gevoelig voor narratieven van gevaar, schuld en legitimiteit (Durham, 2024). Wanneer geweld wordt geframed als ‘noodzakelijk optreden’, verschuift de empathie van slachtoffer naar dader. Wanneer hetzelfde geweld wordt geframed als ‘machtsmisbruik’, kantelt dat morele kompas onmiddellijk.

Een derde laag is wat men zou kunnen noemen morele nabijheid. Mensen reageren sterker op situaties waarin zij zichzelf of hun naasten kunnen herkennen. De Feyenoord-supporter – als jonge vrouw, als voetbalbezoeker, als burger in een publieke ruimte – is voor veel Nederlanders makkelijker voorstelbaar en te vertalen als ‘ik had daar kunnen staan’. Die identificatie vergroot emotionele betrokkenheid en verontwaardiging.

De zusters met hoofddoek worden daarentegen vaker gezien door een lens van verschil. Zij het religieus, cultureel, of maatschappelijk gepositioneerd buiten de dominante norm. Die afstand verzwakt empathie, zelfs wanneer het feitelijke geweld ernstiger of zelds dodelijk is. Denk maar aan de dood van Mitch Henriquez in 2015.

Afhankelijk van wie

Hier raakt psychologie dus aan een pijnlijk punt: ons moreel kompas is niet universeel, maar juist relationeel en selectief. We geloven graag dat we principieel tegen geweld zijn, tegen onrecht, tegen machtsmisbruik. In de praktijk blijkt die verontwaardiging echter heel gradueel en contextgevoelig te zijn, afhankelijk van wie het slachtoffer is en hoe dicht die bij onze eigen sociale identiteit staat.

Dit is geen individuele morele tekortkoming alleen, maar een collectief psychologisch patroon. Het mechanisme lijkt op wat in de literatuur bekendstaat als moral disengagement. Het vermogen om morele standaarden tijdelijk te versoepelen wanneer het slachtoffer buiten de morele cirkel wordt geplaatst, of wanneer het geweld kan worden gerechtvaardigd door beroep op orde, veiligheid of autoriteit.

De ongemakkelijke conclusie is dat verontwaardiging in de publieke sfeer zelden puur principieel is. Ze is vaak gesitueerd, gesocialiseerd en selectief. Niet het geweld op zich bepaalt de intensiteit van de morele reactie, maar de vraag: wie is het slachtoffer, en in hoeverre herkennen wij onszelf in hem of haar?

Juist daarom is deze discrepantie niet slechts een mediavraagstuk of een politiek debat, maar een spiegel voor het collectieve morele bewustzijn. Als verontwaardiging afhankelijk is van herkenning, dan is gelijkwaardigheid geen gegeven, maar een psychologische opgave.

En misschien is dat wel de meest confronterende les: dat onze empathie nog altijd grenzen kent en dat die grenzen minder principieel zijn dan we graag geloven…

Reacties