Selectieve verontwaardiging is geen principiële strijd

Rik de Lavaletta 17 feb 2026

Op 21 maart wordt jaarlijks gedemonstreerd tegen racisme en discriminatie. De boodschap is helder: gelijke rechten, gelijke waardigheid, geen uitsluiting. Dat is een principe waar ik volledig achter sta. Maar juist daarom neem ik bepaalde deelnemers niet serieus.

Wie zegt tegen discriminatie te zijn, maar tegelijk weigert naast een LGBTQ-vlag te lopen omdat homoseksualiteit ‘religieus wordt afgekeurd’, ondergraaft zijn eigen boodschap. Dan strijd je niet tegen discriminatie als principe, maar alleen tegen discriminatie die jou raakt.

Ik zie geen verschil tussen zeggen: „Ik wil niet gediscrimineerd worden vanwege mijn religie” en tegelijkertijd impliciet vinden dat homoseksualiteit minderwaardig of vies is. Dat is moreel niet consistent. Je kunt niet enerzijds erkenning eisen voor je eigen identiteit en anderzijds de identiteit van een ander fundamenteel afwijzen.

Lege huls

Er wordt vaak gezegd: „Ik ontzeg niemand rechten, ik keur het alleen af.” Maar woorden zijn niet neutraal. Als je een groep moreel als inferieur bestempelt, dan tast je hun gelijkwaardigheid aan, ook als je formeel zegt dat ze hun rechten mogen behouden. Gelijke rechten zonder gelijke waardigheid is een lege huls.

Voor mij is de kern simpel: anti-discriminatie is alleen geloofwaardig als ze universeel is. Niet conditioneel. Niet selectief. Niet afhankelijk van religieuze interpretatie of culturele gevoeligheid.

Wie werkelijk tegen discriminatie is, accepteert dat dat principe ook geldt voor groepen waar je persoonlijk moeite mee hebt. Alles daaronder is geen principiële strijd, maar groepsbelang verpakt als moraal. En dat neem ik niet serieus.

Reacties