Organizer

Arianne Fennema 18 feb 2026

Van mezelf ben ik behoorlijk gestructureerd en georganiseerd. Ik kan mij amper heugen dat ik ooit ergens iets vergat, afgezien van een toilettas, die ik als tiener over het hoofd zag in het badhok van een Franse camping.

Ik voel me altijd reuze-opgeruimd, zelfs met een overvolle agenda. Mijn 20-jarige zoon lijkt mijn ‘organisatie gen’ niet overgenomen te hebben, zijn handelswijze staat haaks op wat voor mij zo gewoon lijkt.

Mijn zoon gaat op reis, niet voor het eerst, zijn tussenjaar bestaat uit een aaneenschakeling van lange reizen en kortere vakanties, waarbij er tussendoor gewerkt wordt om de zaak te bekostigen.

Op de dag van zijn eerste grote reis keek ik vol verbazing naar zijn handelswijze. Een uur voordat wij hem zouden uitzwaaien, lag de hele inhoud van zijn rugzak nog op de tafel verspreid en deelde hij mede dat hij er ‘straks mee verder ging’. Hij ging nu eerst even met de scooter zijn vriendin ophalen. Ik kreeg er plaatsvervangende stress van.

Verdraaid lastig

Vanavond vertrekt hij op een vlucht naar Mexico-City. Aangezien hij nogal veel de deur uit is, bel ik hem op en maak een afspraak opdat wij elkaar straks nog even treffen. Ik doe uiteraard alsof ik er geen enkele moeite mee heb, maar in werkelijkheid vind ik het allemaal verdraaid lastig.

Morgen houd ik een presentatie op mijn werk. Uiteraard ben ik goed voorbereid en ik wil op tijd naar bed, zodat ik morgen goed uitgerust voor de groep sta.

Mijn zoon zegt: „Ik ben nog heel even rond tien uur vanavond thuis.” Fijn, denk ik, en ik zorg ervoor dat ik ruim voor tienen op de bank zit in afwachting van zijn komst en ga televisie kijken. Mijn man is al in bed gaan liggen.

Mijn kleding voor morgen leg ik netjes op de stoel en mijn twee tassen voor mijn werk staan in de gang. Mijn laptop is goed opgeladen en de lader bijgevoegd in de tas.

‘Ben later’

Om elf uur is hij er nog steeds niet en krijg ik een berichtje, ‘er zijn wat probleempjes, ben later’. Als hij tegen half twaalf uiteindelijk binnenvalt zegt hij nonchalant: „Mijn fietssleutels had ik even op het dak van een auto gelegd, maar die reed ineens weg.” Hij kon zijn fiets daardoor niet meer van het slot halen en ging dus maar lopen naar huis. Ik trek mijn bezorgde blik die door hem met een ‘wat zeur jij toch altijd’-blik wordt beantwoord. Volgens hem is er niks aan de hand, die fiets was toch allang niet goed meer.

Hij gaat zijn rugzak inpakken. Na enkele ogenblikken komt hij verontwaardigd de kamer weer in lopen om bij mij verhaal te halen. Want „wie heeft zijn rugzak verplaatst?”, die lag immers altijd op het bankje in de hal.

Na het nodige ge-heen en weer, waarbij ik probeer mij er niet meer mee te bemoeien, gaat hij zijn zus bellen. Die uiteraard al in bed ligt en hem mopperend laat weten dat de rugzak bij haar thuis staat.

Nog even zijn rugzak halen dan maar. Lopend, want van een fiets is geen sprake meer. Uiteindelijk ligt alles op tafel, nu nog zijn paspoort zoeken en een berg kleren tot een handzaam pakketje omturnen.

Met verbazing over het kennelijke gemak neem ik deze zoektocht naar zijn spullen waar. Het is al laat, ik wil op tijd naar bed, maar vooral wil ik dat mijn zoon goed bepakt en bezakt vertrekt zodat ik het los kan laten.

Vluchtige kus

Hij is klaar en zegt gehaast: „Mam, ik ga, maak je geen zorgen, en papa heb ik al gedag gezegd dus laat die maar slapen, ik app als ik er ben.” Een vluchtige kus en een iets te stevige knuffel van mijn kant en weg is hij. Vrolijk zwaaiend stapt hij in een Uber op weg naar een nieuw avontuur.

Die nacht slaap ik onrustig en verbaas me over de diepe slaap van mijn man. Als mijn wekker gaat, kleed ik me vlug aan, pak mijn tas en vertrek naar de trainingslocatie.

De eerste deelnemers druppelen al binnen. Nog even mijn laptop aansluiten en we kunnen van start. Waar is de tas met mijn laptop?

Ik schrik en realiseer me dat ik bij vertrek van huis één tas over het hoofd heb gezien.

Reacties