Met de muziek mee
Mijn vader kon geen wijs houden en verdwaalde al bij het zingen van het Wilhelmus. Mijn moeder kon in haar jeugd mooi zingen, maar na de barre winter van 1944 in de schuilkelder was dat voorgoed over.
Elke zondag ging mijn vader naar het voetballen en mijn moeder deed de kroegdeur op slot. Want de radio liet dan Bel Canto horen. En wij tweeën blèrden mee. Het Slavenkoor, de Bruidsmars, de Barcarolle. Waar onze herinnering aan de tekst gaten vertoonde, krijsten we onverdroten verder, maar dan met lalala.
Hoe word je muziekliefhebber?
Ik ben niet echt het schoolvoorbeeld van een gedegen muzikale opvoeding. Die is trouwens ook niet nodig om muziekliefhebber te worden. Voor muziek heb je alleen twee oren nodig. En misschien een beetje nieuwsgierigheid, om al luisterend te durven verdwalen in iets onbekends. Nou bofte ik, want ik werd daarbij aanmerkelijk geholpen door het Brabants Orkest. Opgericht in 1950 toerde het in mijn kindertijd de provincie door. Onder leiding van dirigent Hein Jordans. Het orkest is inmiddels opgegaan in een orkest voor Brabant en Limburg samen: Phil Zuid. Van de oude garde is iedereen allang dood. Maar het blijft mijn orkest, dus ga ik naar Venlo om ze te beluisteren. Daar is Jordans geboren en zo is de cirkel weer rond.
Ons Concertgebouw heette het Bondsgebouw en behalve het orkest maakten ook sport- en kaartclubs, de harmonie, het amateurtoneel en de postduivenvereniging er gebruik van. Mijn vader was de beheerder en timmerde en onderhield, mijn moeder sopte de stoelen con brio onder orkestbegeleiding. Ik mocht eigenlijk niet mee als ze repeteerden, maar jankte net zo lang tot mijn moeder zwichtte. „En mond dicht”, zei ze streng maar onnodig. Bij echte muziek hield ik altijd automatisch mijn mond dicht.
Muziek van alle kanten
Op een keer repeteerden ze de vijfde van Beethoven. Dat was mijn vaders favoriete stuk en dat had vooral te maken met het klopmotief. Ta ta ta daaa. Pas later begreep ik dat hij dacht aan 10 mei 1940, toen er nogal hard op de deur van Nederland werd geklopt. Ik zat in de coulissen en liet me meeslepen. En ineens merkte ik dat ik letterlijk was meegesleept en tussen de bassisten was beland. Haastig kroop ik terug, de coulissen in, waar mijn moeder me boos in mijn nekvel greep.
Een andere keer was er een operetterepetitie. Het orkest zat in de orkestbak en 8-jarige ik met bungelbeentjes op de rand van het podium. Gefascineerd door de donderende klanken van grote pauk, duvelde ik in trance de afgrond in en landde bijna op het trommelvel. Het orkest kwam tot stilstand met stotterende snaren en valse piepsels. Toen werd ik een tijdje aan de ketting gelegd. Een zware straf was dat. Later las ik Griekse mythen. Daar was het verhaal van Orpheus de zanger, die rotsen kon laten dansen en die zijn geliefde terugveroverde op de onderwereld, met als wapen de muziek van zijn lier en zijn wonderbaarlijke stem. Toen snapte ik echt waartoe muziek in staat was. Het maakt me eigenlijk niet zo uit, welke muziek ik hoor. De fanfare is mooi en een koor ook. Ik word daar heel gelukkig van. Muziek is een zegen.
Zie de feestneuzen maar eens deinen op de carnavalsmuziek. Je kunt de vreugde met soeplepels van hun gezichten scheppen. Even weg van de sores van alledag. Mooi toch?