Stop met roepen dat elk kind een zwemdiploma moet halen
In Den Haag hoor je het ineens overal: zwemlesarmoede. Kamerleden willen af van kinderen zonder zwemdiploma. Goed dat er eindelijk aandacht voor is – verdrinking is geen mening, het is gewoon een risico.
Maar wat me erg stoort, is hoe snel het gesprek wordt platgeslagen tot een slogan: ‘Alle kinderen moeten een diploma kunnen halen.’
Klinkt mooi en eerlijk, maar als je beleid bouwt op een leus, kom je uiteindelijk bedrogen uit – vooral de gezinnen die je juist zegt te willen helpen.
Winnaars en verliezers
Laat ik het maar direct zeggen: niet iedereen past in hetzelfde stramien. Niet elk kind leert even snel en ze beginnen ook niet allemaal op hetzelfde punt. Sommige kinderen hebben een beperking, trauma, medische problemen of een moeilijke thuissituatie, waardoor een standaard ABC-diploma gewoon niet haalbaar is binnen de normale tijd of op één manier. Als je dan blijft roepen „iedereen een diploma”, dan bouw je een systeem met winnaars en verliezers. En wie verliest er dan? Juist, de kwetsbaren.
En er is nog iets: een zwemdiploma betekent niet automatisch dat een kind zwemveilig is. Zeker niet als het beleid straks vooral inzet op zo snel mogelijk diploma A halen. Dat levert misschien goede cijfers op, maar het kan ook een vals gevoel van veiligheid geven. Zwemveiligheid draait niet om een papiertje, maar om vaardigheden, herhaling, conditie, gedrag en de omgeving. Water is geen klaslokaal. Water is grillig en onvoorspelbaar.
Grote risico’s
Toch zie ik plannen voorbij komen die vooral draaien om potjes geld, verplichtingen en ‘erkende diploma’s’. En precies daar zitten grote risico’s.
Neem bijvoorbeeld de juridische kant. Als de overheid straks maar één route goedkeurt – één aanbieder, één diploma, één label – dan is dat al snel oneerlijke concurrentie. De wet Markt en Overheid bestaat niet voor niets. De overheid mag de markt niet scheef trekken door bijvoorbeeld alleen eigen zwemlessen te bevoordelen of regels zo te maken dat commerciële zwembaden omvallen. En juist die commerciële aanbieders zijn zeer hard nodig: ze draaien op avonden, weekenden, vakanties en kunnen snel opschalen als dat moet.
Dan de praktijk. Als je echt wil dat meer kinderen leren zwemmen, begin dan met realistisch rekenen: hoeveel zwembaden zijn er eigenlijk? Hoeveel instructeurs? Hoeveel plekken zijn er beschikbaar? En wie regelt het vervoer, de roosters? Je kunt geen landelijke belofte doen terwijl je lokaal geen capaciteit hebt.
En dan nog iets wat vaak vergeten wordt: privacy. Als je straks alle kinderen zonder diploma ‘in beeld wil brengen’, dan moeten scholen, gemeenten en zwembaden gegevens gaan uitwisselen. Dat kan, maar dan moet je het goed regelen. Doe je dat niet, dan krijg je chaos, wantrouwen en vertraging.
Scoren op eindresultaat
Dus wat moeten we wel doen?
Heel simpel: stop met scoren op het eindresultaat en begin met het bouwen van een goed systeem.
Noem ‘zwemveilig’ niet een papiertje, maar een set vaardigheden.
Zorg voor meerdere routes om daar te komen, met duidelijke kwaliteitsregels.
Laat ouders echt kiezen – juist bij gezinnen die het moeilijk hebben.
Reken alles goed door voor je dingen verplicht stelt.
Regel subsidies en steun juridisch goed, zodat je aanbieders niet uit de markt drukt.
Ik ben helemaal voor ambitie. Maar ambitie zonder realiteitszin is geen beleid – dat is theater.
En kinderen? Die hebben geen slogan nodig. Die hebben een systeem nodig dat werkt. Niet voor de cijfers, maar voor hun veiligheid.
Shiva de Winter, De WaterExpert