Over verkleinwoordjes

Kees Schilder 4 jan 2026

Het ziekenhuis blijft voor mij een plek waar de ziel alvast voorzichtig afscheid neemt van het lichaam. Dat stamt uit de tijd dat ik er een ingegroeide teennagel liet verwijderen, een ingreep die in mijn herinnering meer leek op een amputatie zonder verdoving.

Sindsdien krijg ik al lichte trekkingen in mijn linkeroog als ik onderweg een bord zie met: ziekenhuis rechtsaf. Mijn lichaam herkent gevaar sneller dan mijn verstand.

Vandaag ben ik er gelukkig alleen als steun voor een kennis. Ik hoef niets. Ik hoef niemand te zijn. Ik hoef alleen te kijken. Dat kan ik goed, kijken. Ik observeer mensen zoals anderen vogels tellen: wie zweet, wie staart, wie probeert ontspannen te lijken en wie daar duidelijk niet in slaagt.

Opgewekt onheil

Ik zit hier voor oom Jort, die een hevige allergie laat onderzoeken. Tegen wat is nog onduidelijk. Waarschijnlijk tegen de moderne tijd. Of tegen mensen.
Boven ons hangt, vanzelfsprekend, een televisie. Ik vraag me vaak af of er een wet is die voorschrijft dat elke publieke ruimte een scherm moet hebben dat permanent slecht nieuws of opgewekt onheil uitzendt. Zonder tv’s zouden ziekenhuizen vermoedelijk stiller zijn. Minder paniek. Misschien zelfs genezend.

Op het scherm een item over hoe fantastisch succesvol de festivals dit jaar zijn geweest. Kaartjes duurder dan ooit, bierprijzen richting kunstobject, maar volle velden lachende mensen. De inflatie lijkt daar keurig buiten de hekken te zijn gehouden. Misschien bestaat het publiek daar uitsluitend uit mensen zonder energierekening. Of uit mensen die hun zorgen tijdelijk hebben ingeruild voor een polsbandje en een pilletje.

Ikea-bankje

Dan zie ik haar lopen. Een oude bekende. Ze noemt zichzelf conversation starter. Ooit legde ze uit dat ze die titel verdiende door een Scandinavisch bankje van Ikea in haar tuin te zetten, zodat ook ‘eenvoudige mensen’ zich uitgenodigd zouden voelen tot een gesprek. Het bleef bij het bankje. Daarvoor was ze content creator, wat dat ook moge zijn. Vermoedelijk iemand die zichzelf filmt terwijl ze nadenkt over zichzelf.

„Hoi Kees”, zegt ze. „Jij ook hier? Zullen we hier een koffietje doen?”
Koffietje! Verkleinwoordjes! Alsof je de ernst van het bestaan kunt verkleinen door er een achtervoegsel tegenaan te gooien.
„Het is koffie”, zeg ik. „Je zegt ook niet: goudje als je goud bedoelt. Of zandje storten. Bovendien kun je koffie niet ‘doen’.”
Ze lacht, zoals altijd op momenten waarop het niet nodig is.
„Het is maar een woordje hoor. Dat kun zelfs jij je nog wel beseffen.”
„Het is: dat kan zelfs jij beseffen. Niet: dat kun jij je beseffen. Al dan niet-wederkerende werkwoorden. Nooit geleerd?”
„Oh gossie, beetje chaggie?”
„Chaggie?”
„Ja, chagrijnig.”
Het woord alleen al doet pijn.
Oom Jort komt terug van zijn onderzoek, driftig krabbend aan zijn arm en volgt onze discussie.

Koffietje-to-go

Bij de toonbank hangt een bord: In verband met inflatie en oplopende energiekosten: koffietje met gebak 8 euro.
Oom Jort leest het, krabt harder en zegt: „Dat zijn toch geen prijzen voor koffie die ook nog eens onder de wapenwet zou moeten vallen?”
Dan kijkt hij de conversation starter aan: „Betaal jij?”
„Waarom ik?”
„Omdat jij zonnepaneeltjes hebt”, zegt hij. „Dus weinig energiekostjes. Dat besef je je toch wel. En anders neem ik wel een koffietje-to-go.”

Reacties