De sigaar
Ik liep op de dijk. Een man kwam me tegemoet. Voorzichtige stappen achter een rollator, tegen de wind in.
Zijn rug was gebogen. Hij droeg een knalrood ski-jack en klemde een forse sigaar tussen zijn lippen.
Met die windkracht was dat een prestatie. De sigaar als trouwe bondgenoot; die kon je wel gebruiken bij het ouder worden.
Bij de flat van oma Suze gooide ik de weekendbijlage door de brievenbus van nummer 89. Zelf was ze twee jaar ouder, liep zonder rekje en had geen sigaar nodig.
Zen in de supermarkt
Een paar straten verder wachtte de supermarkt. Voor mij stond een man. Eén voor één legde hij zijn boodschappen op de band. Een hand verdween in zijn jaszak. Traag kwam zijn portemonnee tevoorschijn. Hebbes, daar was zijn pinpas. Toegewijd drukte hij tot drie keer toe de toetsen in. Zen voor gevorderden.
Ik leefde met hem mee en dacht aan mijn moeder, die wonderlijk genoeg, maanden na de vaststelling van de vergeetziekte, haar pincode onthield. Als we samen bij de kassa stonden, pakte ik haar boodschappen in. Benieuwd hoe ver ze die keer zou komen.
„Meneer, als u nog een keer indrukt, kunt u uw pas niet meer gebruiken.”
De man staarde lang naar het kastje. „Het bedrag is boven de honderd en ik heb een limiet”, zei hij tenslotte. Met trillende handen pakte hij de net afgerekende fleecetrui. „Als u deze eraf haalt, dan klopt het”, wees hij oplossingsgericht.
Bon en klantenbalie
Vanachter de kassa riep de kassière om hulp. Een collega antwoordde onverstaanbaar. Een tweede collega hielp om de betaling ongedaan te maken. „Meneer, u kunt met deze bon naar de klantenbalie”, zei hij.
In beslag genomen door het tafereel zette ik snel mijn boodschappen op de band. De man duwde zijn winkelwagen moeizaam voor zich uit en sloot aan in de rij. Toen ik naar de uitgang liep, stond hij er nog.
Buiten had zich een nieuwe rij gevormd. Jong en oud, starende ogen, lijdzaam wachtend achter een kar.
Vroeg of laat zijn we allemaal de sigaar.