De dag dat mijn beoordelingsvermogen zich op glad ijs bevond
Voor het eerst sinds pak ‘m beet vijf jaar sneeuwt het weer eens in dit land en blijf het ook nog eens wat langer dan een paar momenten liggen. Voor de romantici onder ons een zegen, maar voor velen die wel met hun leven door moeten ook een beetje vervelend.
Het mijzelf verplaatsen naar de wekelijkse boksles was dan ook een flinke opgave voor me. Maar op de terugweg, het moment dat ik me door de zojuist geleverde inspanning als een jonge god voel, deert niks me meer en fiets ik fluitend door de snotterige sneeuw naar huis.
Doordat het nog steeds flink sneeuwt, besloot ik me met een slakkentempo voort te bewegen door de stad. Inmiddels ben ik aangekomen bij de straten die wat dieper in de wijk liggen; waar vanzelfsprekend minder verkeer komt en het risico op het maken van een gigantische smak op de ijzige straat net wat groter is.
Je weet maar nooit
Ik nader een spooronderdoorgang, waar ik een jongeman op de fiets stil zie staan. Hij draagt een soort bomberjack en een stoer petje en staat breedgeschouderd met zijn rug naar mij toe. Er komen flinke rookdampen van zijn verschijning en ik denk bij mezelf dat ik moet oppassen. Iemand die zijn eigen gezondheid op de proef stelt ten koste van zijn eigen financiële situatie kan niet anders dan gevaarlijk zijn. Of op z’n minst ontoerekeningsvatbaar, toch? Langzaam, heel langzaam kom ik dichterbij en ik besluit iets sneller te gaan fietsen. Je weet immers maar nooit.
Bij het viaduct aangekomen fietst het op de droge stukken een stuk makkelijker. Ik nader het besneeuwde stuk tussen de twee droge, precies het gedeelte waar de in mijn ogen mogelijk gevaarlijke jongeman zich ophoudt. Ik zet nog even aan en neem een flinke ademteug, waarbij ik een deel van de sigarettenrook van de ‘stoere boy’ inadem.
Fruitige lolly
Lichtelijk verrast door mierzoete aardbeiengeur, proest ik het uit en kan ik mijn lach niet inhouden. Het sigaretten-equivalent van een fruitige lolly is het laatste wat ik op dit moment verwacht had te ruiken. Echter glijdt door mijn spontane lachkick mijn voorwiel een klein beetje uit het door-vele-andere-fietsers-voor-mij-gemaakte bandenspoor en weet ik nog net met mijn linkervoet de grond te toucheren zodat de eerder denkbeeldig genoemde val uit blijft en mijn evenwicht bewaar.
„Gaat het wel, meneer?”, vraagt de jongen met een beleefde en ietwat hoge stem. Zojuist mentaal vijftien jaar ouder geworden, kijk ik zijn kant op, steek ik al fietsend mijn hand in de lucht en knik alsof er de afgelopen minuut niks gebeurd is. Met mijn spreekwoordelijke staart tussen de benen vervolg ik stilletjes mijn weg richting huis. Zo zie je maar; niets is wat het lijkt.