Emigreren naar België
Ik kwam al vroeg in aanraking met de politie – althans, dat dacht ik. Pas later ontdekte ik dat het niet de politie was die ’s middags laat de post kwam bezorgen.
De eerste keer dat ik écht met de politie te maken kreeg, was bij mijn aanhouding in Amstelveen. Dat ging zo. Eind jaren veertig woonden we in Amsterdam-Zuid, vlak bij de gevangenis aan de Havenstraat. Leo, mijn neefje – de zoon van oom Leo – was mijn boezemvriend. Hij stond bekend als bijzonder ondernemend. Hij woonde op de derde etage, wij op de tweede.
In de zomer van 1949 trokken we er geregeld met een picknickmand op uit naar het Amsterdamse Bos, toen nog betrekkelijk nieuw. Tijdens een van die picknicks kwamen kennissen langs. Ze waren op de fiets en hadden allerlei lekkernijen bij zich. We genoten uitbundig: sinaasappelen, bananen, chocolade – voor ons nog zeldzaam. Ze vertelden dat ze in België waren geweest. Distributiebonnen, zo zeiden ze, waren daar onbekend.
Einde van de weg
De volgende dag kwam Leo mij halen.
„België”, zei hij, „dat moet geweldig zijn. Je kunt daar van alles krijgen.”
Hij stelde voor dat we samen naar België zouden gaan. Leo had toen al een enorme overtuigingskracht. Hij zou later ook officier worden. Maar eerst moesten we België zien te vinden.
Leo wist hoe. Hij had gezien dat de fietsers uit de richting Amstelveen waren gekomen. Dus, was zijn redenering, aan het einde van de Amstelveenseweg zou België beginnen.
En zo vertrokken we, op een zomerse dag. We moeten uren hebben gelopen. De Amstelveenseweg bleek veel langer dan verwacht. Uiteindelijk waren we zo moe dat we op een veldje gingen liggen rusten. We zijn daar allebei in slaap gevallen.
Slapend werden we door de politie gevonden. We moesten in de auto stappen en niet lang daarna – het liep al tegen het einde van de middag – werden we afgezet voor de Veerstraat 51.
Zonder eten naar bed
Tante Jo, Leo’s moeder, was dolblij hem terug te zien en knuffelde hem uitgebreid. Mijn moeder reageerde anders. Ze was boos, gekrenkt. Thuisgekomen werd ik flink door elkaar geschud en moest ik voor straf zonder eten naar bed.
De volgende dag vroeg ik Leo of hij ook straf had gekregen.
„Nee”, zei hij verbaasd. „Mama moest enorm lachen.”
Hij had alleen moeten beloven dat hij het nooit meer zou doen. Daarna hadden ze samen pannenkoeken gebakken – met stroop, natuurlijk.
Ik was even helemaal van mijn stuk. Leo was net Pietje Bell: altijd kwajongensstreken, waarna zijn vader bulderde van het lachen. Het was niet de eerste keer dat mijn moeder mij strafte en Leo vrijuit ging. En opnieuw: ik zonder eten naar bed, hij pannenkoeken met stroop.
Wat valt hier van te leren?
Onrecht maakt deel uit van het dagelijks leven.
Zonder dat kan de wereld blijkbaar niet bestaan.