AMBER Alert en de vergissing van geruststelling

Peter Roozendaal 20 jan 2026, 

Toen Wendy na het AMBER Alert rustig bleek en zelfs de hond uitliet, haalde Nederland opgelucht adem. Maar wat als aangepast gedrag geen teken van veiligheid is, maar van een kind dat geleerd heeft zich te hechten aan wie haar warmte biedt?

Deze column is geen oordeel over deze specifieke zaak, maar een waarschuwing tegen hoe snel wij onszelf geruststellen op basis van uiterlijk gedrag.

Toen het AMBER Alert voor Wendy werd uitgegeven, hield Nederland even de adem in. Een vermist kind raakt ons allemaal. De opluchting was groot toen ze werd teruggevonden. En vrijwel meteen volgde de geruststelling: ze was rustig, werkte mee, liet zelfs de hond uit. Voor velen het bewijs dat het wel meeviel.

Maar aangepast gedrag is geen bewijs van veiligheid.

Gezien en geliefd

Dat zij de hond uitliet, trof mij juist. Alsof haar eigen milieu even niet bestond. Alsof ze zich moeiteloos invoegde in dat van een ander. Dat kan onschuldig zijn. Maar het kan ook iets anders betekenen: een kind dat zich niet alleen aanpast aan wie macht heeft, maar aan wie het zich gezien en geliefd voelt. Voor een kind kan dat verschil allesbepalend zijn.

Ik weet dat, omdat ik zo’n kind was – niet 10, maar 3 jaar oud. Door langdurig ernstig geweld leerde ik zwijgen. Niet uit verlegenheid, maar uit zelfbescherming. Mijn spontaniteit verdween, mijn creativiteit doofde. Ik werd aangepast. Volwassenen zagen een lastig, gesloten kind. Wat ze niet zagen, was hoe intens blij ik was als iemand gewoon vriendelijk tegen me was. Een rustige stem, gewone aandacht – het voelde als zuurstof. Ik vroeg soms zelfs of ik daar mocht komen wonen. Niet uit brutaliteit, maar uit hoop.

Die ervaring werd een levenslange hypotheek: jaren van therapie, groepswerk en zelfonderzoek. Niet uit zwakte, maar omdat aangepast gedrag diepe sporen nalaat. Het leert een kind zichzelf te wantrouwen en de blik van de ander als maatstaf te nemen. Dat mechanisme verdwijnt niet vanzelf; het werkt door in relaties, werk en zelfbeeld.

Gezag en vertrouwen

Mijn ouders keerden dat feilloos om. Waar ze konden, spraken ze over hun „moeilijk opvoedbare kind” – in de trein, bij de tandarts, in de wachtkamer. Ik zat ernaast en luisterde. En dacht: ja, dat ben ik nu eenmaal. Zo neemt een kind het oordeel van volwassenen over zichzelf over – nog vóór het een eigen oordeel kan vormen.

Dat is het mechanisme. Ouders hebben gezag. Gezag wekt vertrouwen. En vertrouwen zoekt verklaringen die het gezag intact laten. Niet het geweld staat centraal, maar het gedrag van het kind. Niet de dader wordt bevraagd, maar het slachtoffer. Het kind wordt het probleem.

Daarom moeten we oppassen met snelle geruststelling. Een stil, meegaand kind is niet per definitie veilig. Soms past een kind zich niet aan uit gehoorzaamheid, maar uit hunkering naar warmte. Uit de wens ergens te mogen zijn.

De fout is niet dat we te weinig weten. De fout is dat we denken genoeg te weten – en dan ophouden met kijken.

Wie kinderen wil beschermen, moet leren wantrouwen wat te soepel oogt.
Aangepast is niet hetzelfde als veilig.

Reacties