32 en kinderloos
Volgende week word ik 32. De leeftijd waarop mijn moeder bijna haar tweede kind kreeg: ik. Al sinds mijn late twintigerjaren duikt het onderwerp kinderen steeds vaker op. Soms in de vorm van een nieuwsgierige vraag: „Wanneer ga jij kinderen krijgen?”
Maar vaker als een waarschuwing: „Je moet nu echt opschieten, want je wordt oud.” Alsof er een onzichtbare zandloper boven mijn hoofd hangt en elke ademhaling wordt geteld.
Tijdens feestjes is het niet anders. Iedereen zit gezellig te borrelen en ineens hoor ik het: „En jij dan, wanneer?” Het liefst zeg ik: „Wanneer ik een handleiding vind voor volwassen worden zonder slapeloze nachten.” Maar in plaats daarvan glimlach ik braaf en knik ik.
Nooit echt een kind kunnen zijn
Ondanks al deze ongevraagde adviezen blijven mijn rammelende eierstokken uit. Misschien zitten ze ergens diep verscholen, ingekapseld in de dozen van mijn jeugd. Oude dozen vol halfvergeten speelgoed, ongemakkelijke herinneringen en verantwoordelijkheden die ik moest dragen terwijl ik zelf nog kind was.
Wat als je nooit echt kind hebt kunnen zijn? Gedwongen worden in de rol van verzorger, omdat degene die dat voor jou had moeten doen, dat niet deed. En dan sta je daar, volwassen, en denk je: wat als ik gewoon nog niet weet of ik die verantwoordelijkheid wil? Of dat je, ondanks een geweldige jeugd, de drang om je voort te planten helemaal niet voelt?
En vergeet ook niet de mensen die wél willen, maar het door omstandigheden niet kunnen. Zelf denk ik dat ouders een soort Stockholm-syndroom hebben: je bent zo vaak bij je kinderen dat je ze per ongeluk echt gaat liefhebben. Of ze willen niet de enige zijn die leven op koffie en de paar uurtjes slaap per nacht.
Beetje narcistisch
Soms wordt gezegd dat je egoïstisch bent als je geen kinderen hebt. Maar eerlijk: is het niet een tikje egoïstisch (en een beetje narcistisch) om jezelf voort te planten in een overbevolkte wereld, terwijl er nog zoveel kinderen zijn die een ouder missen?
Dus ja, misschien heb ik geen rammelende eierstokken, misschien voel ik geen onweerstaanbare drang en misschien schuif ik de kinderwagen nog even aan de kant. En weet je wat? Dat is oké.
Uiteindelijk is er één universele regel: je kunt altijd nog een kat nemen. Die vraagt tenminste geen collegegeld, laat je ’s nachts slapen en geeft een dikke knipoog aan de ouders op de wereld, mits ze de (nog) kinderloze mensen in waarde laten.