Wat ik niet kon beschermen

Peter Roozendaal 29 dec 2025

In 1997 verhuisde ik van Amsterdam naar een dorp in Friesland. Ik woonde er alleen, met twee labradors: een blonde reu en een zwart teefje. Het huis had een grote tuin. Het leven leek overzichtelijk.

Ik wist toen nog niet dat juist daar iets zou groeien waarvoor geen handleiding bestaat: verantwoordelijkheid.

Twee meisjes van een jaar of 9 kwamen bijna dagelijks langs om met de honden te wandelen. Wilma en Simmi. Ze vertelden over school, over thuis, over het dorp. Als ik langs hun school liep, zwaaiden we naar elkaar. Wilma’s ouders hadden een winkel; Simmi’s vader was vrachtwagenchauffeur. Het voelde vanzelfsprekend en onschuldig. Mijn tuin werd hun speelplek. Ik had graag dochters als zij gehad.

Zweven

Ik herinner me hoe Simmi touwtje sprong. Haar bewegingen waren licht en ze leek wel te zweven. Ik maakte gauw een foto, maar bij het ontwikkelen bleek alles mislukt. Misschien moest het zo zijn. Mooie momenten laten zich niet bewaren.

De jaren gingen voorbij. Er kwamen labradorpups. Kinderen en pups horen bij elkaar. De meisjes werden ouder, vrijer, soms te vrij. Ik moest hen af en toe tot de orde roepen. Op een middag vroegen ze of ze op internet mochten. „Alleen kindernet”, zei Simmi. Even later zag ik het woord sex in de adresbalk. Bliksemsnel schakelde ik de computer uit.

Dit wil ik hier niet hebben, zei ik. Zulke beelden blijven in je hoofd hangen en trekken verkeerde mensen aan. Simmi haalde haar schouders op. Thuis, zei ze, keken haar vader en broers vaak naar blote vrouwen op internet. Ze was eraan gewend. Dat moesten zij weten. Ik wil het hier niet hebben. Ik hoopte dat de boodschap overkwam. Meer had ik niet in handen.

Naveltruitje

Niet lang daarna verhuisde ik weer naar Amsterdam.

Twee jaar later kwam ik hen opnieuw tegen. 14 inmiddels. Wilma was ontspannen. Simmi herkende ik nauwelijks. Een naveltruitje met het woord SEXY. Zware make-up. Vreemde contactlenzen. „Van een wilde wolf”, legde ze uit. Ik zei dat ze van zichzelf mooi was en dit absoluut niet nodig had. Wilma knikte, maar Simmi keek weg.

Vijf jaar later was ik opnieuw in het dorp. Wilma deed het goed, zei haar moeder. Ze had zelfs een vriendje. En Simmi? Ze zweeg even. „Simmi zit in Almere. In de gevangenis.”

Het regende. Haar paraplu was kapot. Impulsief gaf ik haar de mijne; ze was even Simmi voor mij. Ik schreef mijn nieuwe adres op. Maanden later kwam ik terug van een reis naar India. In mijn post lag een briefje van Simmi. Ze was twee keer langs geweest. Het was 2006.

Een jaar later verhuisde ik naar Duitsland. Sindsdien heb ik nooit meer iets van haar gehoord. Het was een mooie tijd, in het begin, maar niet alles laat zich bewaren.

Reacties