Pokerface en rugzak
Mijn zoon, 8, fietst voortaan alleen naar school. Uitvoerig leg ik uit hoe hij de kortste route naar de overkant van de verkeersweg moet fietsen.
„Mama, ik ben zo’n gast met een pokerface. Maar ik snap je al na een minuut.”
Ik kijk hem verbluft aan.
„Als je zo uitdrukkingsloos kijkt, denkt iedereen dat je het niet begrijpt. Misschien moet je je pokerface eens aanpassen. Als je dit op school…”
„Daar ga je weer, mama.”
Loslaten, denk ik. Mijn rugzak voelt zwaarder dan anders terwijl ik de voordeur achter me dichttrek. Ik stap de straat uit. Koude lucht prikt in mijn gezicht.
Na een half uur in de tram sprint ik naar de bus. Hijgend blijf ik voor de deur staan.
„Rijd je nog mee?”, vraagt de chauffeur droog. Zijn oorringetje licht fel op in een zonnestraal die door de groezelige ramen valt. Ik wurm me door de mensenmassa, haak mijn hand in een lus. Na een kwartier kan ik zitten, kijk naar buiten, maar zie niets.
Riempje van de rugzak
Op goed geluk druk ik op de knop, grijp naar mijn tas, maar die werkt niet mee. Uit alle macht trek ik aan het riempje van mijn rugzak, dat klemvast zit tussen twee stoelen.
„Jezus”, laat ik me ontvallen.
In paniek ruk ik als een bezetene aan het riempje. Achter me hoor ik het sissende geluid van deuren die openen. Ik voel alle ogen op me gericht, alsof ik een attractie ben.
„Chauffeur, ik wil uitstappen, maar mijn rugzak zit vast!”
Het meisje op de stoel achter me doet een oortje uit. „Rustig blijven en naar rechts trekken.”
De chauffeur brengt de bus tot stilstand en loopt naar me toe. Behulpzaam sjort hij aan mijn tas.
„Zo, dat zit knap vast.” Ook hij krijgt het niet voor elkaar.
Idiote actie
Ik merk de ongeduldige blikken van passagiers en kijk weer naar de rug van de chauffeur. Plotseling schiet het riempje tussen de stoelen vandaan. De buschauffeur verliest bijna zijn evenwicht. Snel neem ik mijn rugzak van hem over.
„Excuses voor deze idiote actie!”, roep ik dwaas. Twee pubers wisselen een spottende blik uit. Ik zie het nog net voordat ik de bus uitspring.
’s Avonds, als ik thuiskom, draait mijn zoon zich van zijn scherm.
„Hee, mama.”
Hij balt zijn vuisten, sluit even zijn ogen, alsof er een doelpunt is gescoord, en kijkt me lachend aan.