Glas in lood
Het gebeurde in een huis dat leeg moest. De kamers klonken hol, de herinneringen zaten als stof in de hoeken en in de woonkamer hing nog één overblijfsel van vroeger: een glas in loodraam.
Het moest eruit, zei men. „Gewoon glas erin, veel praktischer.”
En praktisch was het absoluut. Maar terwijl ik het raam bekeek, vroeg ik me af of praktisch altijd beter betekent.
Het glas had kleine barsten, als fijne lijntjes in een ouder gezicht. De kleuren rood, blauw en geel waren dof geworden, maar juist daardoor mooi. Alsof het raam niet probeerde nieuw te lijken, maar gewoon wilde laten zien dat het al heel wat ochtenden en avonden had meegemaakt.
Warmer
Toen ik het voorzichtig uit de sponning haalde, viel het licht erdoor in zachte vlekken op de vloer. Niet fel zoals bij helder glas, maar warmer, alsof het licht zelf even moest nadenken voordat het de kamer binnenkwam. Ik merkte dat ik dat prettig vond. Dat het licht een beetje gefilterd werd door iets dat een leven had geleid.
Misschien is dat wat zo’n raam bijzonder maakt: het laat niet meer licht binnen, maar ander licht. Licht dat ergens doorheen is gegaan, dat een verhaal heeft meegenomen. We zijn zo gewend om dingen te vervangen zodra er een barst in zit, dat we vergeten dat juist die barst iets kan toevoegen.
Ik heb het raam niet laten weggooien. Het staat nu bij mij thuis tegen de muur. En elke ochtend, als de zon er doorheen valt, denk ik aan hoe snel we soms afscheid nemen van wat niet meer perfect is terwijl juist dat imperfecte het licht zachter maakt.