9 december 1944 – asielzoeker in eigen land

Han Maas 10 dec 2025, 

Zijn donkere ogen dwongen ontzag af, maar straalden liefde uit. Hij knipperde langzaam. Drie keer.

Ik herinner me een van de eerste keren dat we naar Ajax gingen. Het was november, koud. Op de Middenweg hield ik zijn hand vast die maar een stukje uit de mouw van de lange, groene winterjas stak. De mouw omzoomde mijn hand, waarin hij zachtjes kneep. Drie keer. Ik kneep terug, drie keer, en keek ook letterlijk tegen hem op. „Loop ik niet te snel?”, vroeg hij. Soms kreeg ik steken in mijn zij.

Als dwangarbeider in Bremen – Lager Weserlust – aan de dood ontsnapt. De ‘invalkrachten’ scholen in een bunker van zand, de moffen in een betonnen.
Als vaste kracht meegeholpen aan de wederopbouw.

„Dank je wel, maatje.”
Mijn vader haalde het vloeipapier van de bekende vierkante fles en liep naar zijn bureau. De lade piepte.
„Je knieën, pap?”
„Kloteklapper”, lachte mijn vader. Hij haalde uit een bruine portefeuille een overtrekpapiertje met een stempel erop. „Een verlofbriefje om zogenaamd kleding in Nederland te halen.”
Hij vertelde het vertelde verhaal, dat ik nu herhaaldelijk achter zijn oude bureau schrijf.
„9 december 1944. Precies op mijn 25ste verjaardag stak ik lopend de grens over. Op weg naar boer Ter Keurs in Rijssen, waar ik mocht onderduiken. Met gevaar voor eigen leven en dat van zijn gezin, haalde hij een dokter, die mijn karbonkels opensneed. Mijn bloed was niet goed.”

Dwangarbeiders werden vaak collaborateurs genoemd. Stichting 1940 – 1945 deed niets voor hem.
Jaren later keek hij de bezetter weer in de ogen. Zijn bloed was niet goed.

„Hij heeft waanbeelden en hij is angstig. Misschien kunt u hem kalmeren.”
„Wat is er pap, waar wijs je naar?”
„Daar…”
„Ja, dat zijn de ramen, die weerspiegelen doordat het buiten donker is. Je ziet de verpleging erin.”
„Nee! En je ziet ze niet alleen, je hoort ze ook.”
„Wat hoor je dan?”
„Hun laarzen.”
„Van wie?”
„De bezetter natuurlijk. De mof is terug.”
„Het geluid komt van de verpleging; ze lopen op een soort klompen.”
„Klompen? Oh jongen, wat fijn. Ben ik weer op mijn onderduikadres, bij de boer?”
„Ja pap, het is allemaal voorbij, ze kunnen je geen pijn meer doen: nooit meer.”
„Vertel jij je moeder dat ik veilig ben?”
„Ja, doe ik. Rust maar lekker uit.”

Mijn vader, die ik heb meegemaakt. Geen voorvader van wie ik alleen het bestaan wist. Excuses? Ja, maar alleen op de datum die mij uitkomt. En die is verstreken, samen met de oprechtheid.

Reacties