Erfgenamen van een catastrofe

Peter Roozendaal 29 nov 2025

Hoe een toevallig ongeluk de mens tot heerser maakte.

We houden graag vast aan het idee dat de mens de finale van de schepping is – de bekroning van de evolutie, precies zoals de Schepper het bedoeld had. Kijk eens naar onze steden, onze cultuur, onze filosofie. Mensen die de Maan weten te bereiken. Wel, die Maan heeft het allemaal gezien en hij was waarschijnlijk verbaasd over wat zich in het ondermaanse afspeelde. Want hij weet iets wat wij liever vergeten: wij zijn geen kroon op de schepping, maar een toevalstreffer. Eén kosmisch foutje minder en hier zat geen mens in de metro – er wás niet eens een metro.

Als de asteroïde 66 miljoen jaar geleden de Aarde had gemist, liepen hier nog steeds dinosaurusachtige wezens rond. Warmbloedig, snel, sociaal – en qua intelligentie vergelijkbaar met papegaaien en kraaien. Iedereen die ooit een papegaai een puzzel heeft zien oplossen of een kraai een slot heeft zien openen, weet hoe slim ze kunnen zijn. Stel je voor dat niet een aap met handen het gereedschap uitvond, maar gevederde jagers met grijphanden, die in groepen communiceerden, plannen maakten en elkaar imiteerden. Misschien ontdekten zij het vuur. Misschien ontwikkelden zij nederzettingen en kunst –  helemaal zonder dat er ooit een mens was geweest. Dan zaten wij nu niet in de metro met onze smartphone. Wij zouden eenvoudigweg niet bestaan.

Geen eindpunt schepping

We doen graag alsof de evolutie naar ons toe heeft gewerkt; alsof wolkenkrabbers en internet onvermijdelijk waren. Maar de waarheid is eenvoudiger en ongemakkelijker: de mens is geen eindpunt van de schepping, maar de erfgenaam van een catastrofe die zijn concurrenten uitschakelde.

Hoe kwetsbaar we zelfs daarna nog waren, laat zien hoe dun de lijn van ons bestaan is. Toen de eerste mensen Australië binnentrokken, 50.000 jaar geleden, was het kantje boord. In het binnenland lagen varanen van zeven meter op de loer; één beet was fataal. Aan de kust wachtten krokodillen tot er iemand te dichtbij kwam. Er zwierven katachtige buidelleeuwen rond met klauwen als messen en agressieve loopvogels van 200 kilo die met één trap een mens konden doden. Duizenden jaren lang waagde bijna niemand zich alleen buiten zijn groep.

Altijd ergens anders

En toch doen we vandaag alsof ons voortbestaan vanzelfsprekend is – alsof pandemieën, oorlogen of klimaatproblemen altijd ergens anders plaatsvinden. Maar onze soort heeft nog nooit comfortabel bestaan. Onze enige overlevingskans was, en is, samenwerken.

Als we geen kroon van de schepping zijn, maar simpelweg geluksvogels, dan past ons bescheidenheid. Besef hoe wonderlijk ons bestaan is. Maak er samen iets goeds van, zolang we hier nog zijn.

Reacties