ADO
De stad lacht weer
Het is zaterdagochtend en de stad voelt anders. Niet omdat het weer ineens beter is of omdat de trams soepeler rijden, maar omdat je het ziet aan de mensen. Aan hoe ze lopen, hoe ze groeten, hoe hun ogen net iets meer twinkelen.
ADO heeft gewonnen. Weer.
Langs het Forepark zie ik vaders en zonen in geel-groen. In de koffie huizen wordt de koffie iets harder geroerd, alsof de energie ergens heen moet. Een oudere man in trainingspak met een groengeel Den Haag embleem steekt zomaar zijn hand op naar een voorbijganger. Er wordt gelachen. Niet luid, maar echt.
Een paar weken geleden was het anders na een gelijkspel tegen jong Utrecht. Toen werd er geklaagd bij de kassa, gemopperd op het weer, gesnurkt in de tram. Nu klinkt er hoop in elke zin: “Als ze deze lijn vasthouden…” of: “Je zag het aan die tweede helft, hè?”
Dat is het mooie aan voetbal, aan een club als ADO. Het is meer dan sport. Het is een spiegel van de stad. Als het elftal wint, loopt Den Haag net iets rechterop. De regen voelt zachter. De kou minder fel. Je hoeft geen fan te zijn om het te merken. Je ziet het gewoon. En zo wordt duidelijk wat een paar overwinningen kunnen doen: ze maken de mensen lichter, vriendelijker. Even is alles weer mogelijk.
Niet omdat alles ineens goed is, maar omdat winnen ons herinnert aan iets wat we soms vergeten.
Dat hoop besmettelijk is. En dat er altijd weer iets te juichen valt soms zelfs gewoon op een nat veld in het Zuiderpark.