Toon – gouwe gozer
Pinda’s op vrijdag die van maandag kunnen zijn. Aan de muur van de bruine kroeg zwart-witfoto’s van vergane artiesten. Kees heeft het hoogste woord, Joop gaat ertegenin. Willem is het met beiden eens, Toon houdt geïrriteerd zijn mond. Als je kon klaverjassen met drie man, was Toon overbodig. Zijn stropdas is uit de tijd geknoopt en hij valt uit de toon met zijn gin-tonic bij de jeneverdrinkers. De kaarten heeft hij in zijn linkerhand, met de rechter stampt hij onafgebroken het citroentje plat.
‘Mot je door het glas heen?’ schreeuwt Kees.
‘Ik ga naar buiten,’ zegt Toon, ‘het benauwt me hier.’
Hij geeft geen nadere uitleg, van nakaarten houdt hij niet.
Op deze septemberdag loopt hij in de lente van zijn tachtiger jaren door het tochtgordijn, waaraan de stank van rook uit vroegere tijden nog hangt, naar buiten. Het licht prikt in zijn ogen. Dankzij die operatie staart hij weer in de verte van de toekomst. Wat in de verte ligt, is helderder dan het vertroebelde heden, waar hij niets meer vindt om naar te zoeken. En over de helft van de afstand die hij loopt, doet hij tegenwoordig twee keer zolang, dus leeft hij langer.
Hij laat wat achter zich, kijkt nog eenmaal naar die bruine kroeg, doorbreekt het stilzwijgen door in zichzelf te zeggen: ‘Ze kunnen allemaal het leplazarus genieten,’ waarbij hij zich realiseert dat hij met Bert nog niet heeft afgerekend. Dat komt wel een keer.
In de Quote 500 staat hij niet. Als je het eerste miljoen niet hebt, mis je het volgende ook niet. Maar een bezoek aan de groentejuwelier kan hij zich op vrijdag permitteren.
‘Kippensoep, graag.’
‘Gebonden of helder?’
‘Helder.’
‘Anders nog?’
‘Een netje citroenen en pitloze witte druiven.’
‘Het tweede bakje is voor de helft van de prijs.’
‘Twee keer de helft van een bakje maakt al twee. Ik ben ongebonden.’
Op de rechte weg naar huis, weten verkeersdeelnemers niet meer dat ‘rechtdoor op dezelfde weg heeft voorrang’ ook voor voetgangers geldt…
Een balletje gehakt met een stukje zuur en een kluit mosterd op een kartonnetje.
‘Het was een mooie dienst,’ zegt Kees. ‘Eigenlijk heb ik zo vroeg geen trek in gehakt. Doe mij maar een jonge jenever, Bert.’
Kees’ krijtstreeppak doet ook dienst op verjaardagen, als hij er niet onderuit kan komen. Duurzaam gescheiden kon hem niet vroeg genoeg beginnen en lang genoeg duren.
‘Eet nu maar op, Kees, zegt Bert. ‘Zie het als een eerbetoon aan Toon. Een gouwe gozer.’
‘Liever een vloeibaar eerbetoon – zullen we een kaartje leggen?’
‘Met z’n drieën?’ zegt Joop – ‘eet je die bal niet op, Kees?’
‘Hij lag daar tussen de smurrie, met platgereden citroenen,’ mijmert Willem.
‘Jongens, er ligt hier nog een bonnetje van Toon.’
‘Die veertig euro lappen wij wel, Bert.’
‘Vijftig. Toon was een gouwe gozer.’