De achtertuin
In de achtertuin kijkt hij voor zich uit: „Ik kan me eigen nog prima redden hier.”
„Ja, pa, maar als het zover is dan…”
„Dan wat?”
„Het is niet zo ver, dat scheelt.”
„Nu zeg je twee keer zover, wie wordt er nu vergeetachtig?”
„Haha, nee, ik bedoel dat het hier niet ver vandaan is. Wel kleiner.”
„Als ik hier weg moet, wat maakt het dan uit hoe ver het is? Mag ik soms een weekendje met verlof naar mijn oude huis?”
„Nee, ik bedoel…”
„Breng mij maar gelijk weg: geen bloemen en geen toespraken. Ik weet toch van niets meer.”
„Dat weet je niet.”
„Nou, dat gaat boven mijn hemelse pet, jongen.”
„Daar geloof je toch niet in?”
„Waarin?”
„De hemel.”
„Ik gun je graag een hemelse vader.”
„Ik ga, pa.”
„Ja, kijk je uit?”
Hij weet nog goed dat meneer pastoor op zondag tussen twee kerkdiensten even langs kwam wippen; een sport die hijzelf niet uitoefende, behalve in het geniep. Of ‘het zaad zijn weg al had gevonden’, vroeg hij. Had ie regelrecht gejat van Toon Hermans, die niet begreep wat zijn vrouw bedoelde met ‘het zaad heeft zijn weg gevonden’ en Toon vader werd. Toon was wel grappig, die pijpdrop niet.
Het leverde hem wrevel met zijn vrouw op, die nog tegen de pastoor en de dokter opkeek, toen hij op het laatst zei: „U komt er zelf wel uit, meneer pastoor?” Hij heeft hem thuis nooit meer gezien en in de kerk kwam hij al jaren niet meer. Er zal wel een hoop veranderd zijn, aan de collectezak zit vast een pinapparaat. Veel gelovigen zullen ongeloofwaardig hun pincode opeens niet meer weten, want schijnheiligheid en hypocrisie veranderen nooit. En als de parochianen bidden, zuipt de pastoor nog steeds de wijn op.
Veel zaad had toch zijn weg gevonden. Het huis werd te klein. Verhuizen? Geen denken aan. Een uitbouw? Nee, stapelbedden. Eén gezamenlijke tv, leren onderhandelen wie wat op een bepaalde tijd mocht zien. De ‘Kamerdebatten’ waren fel, als voorzitter besliste hij dat er naar voetbal werd gekeken.
Het zaad is ontkiemd en uiteindelijk geoogst door schoondochters en schoonzoons. Nu is het huis weer te groot, volgens de op doorstroom gerichte gemeente, die op het gemoed werkt en de nutteloze, oudere inwoner schuldgevoel aanpraat. De alleraardigste brief gooide hij gelijk in het gemeentearchief en het bezoek van die glijer van een gemeenteambtenaar – „het is hier keurig en schoon” – heeft hij net als destijds bij het bezoek van meneer pastoor keurig netjes opgelost: „U komt er zelf wel uit?”
Roken en drinken mag hij niet meer van de arts met een arbeidsethos van twee dagen in de week die nooit thuiskomt – „zo ver is het niet naar de praktijk, even doorzetten” – dus is het geen huisarts. Ook moet hij meer bewegen. Naar de keuken over het door hemzelf aangelegde tuinpad is precies dertig stappen. Achter de 0.0-biertjes ligt, om het evenwicht te bewaren, een fles jenever. Twee borreltjes leveren dus al honderdtwintig stappen op.
Het is nog niet zover, maar in de verte, achter de hoge populieren van de begraafplaats, zullen kraaien hem wegbrengen. Hij neemt tenminste niet aan dat ze zeggen: „U komt er zelf wel in?”
Zijn vrouw heeft hij overleefd, maar een kind of kleinkind overleven overleeft hij niet – hij doet wat extra stappen richting keuken.